web analytics
vrijdag, juni 21

Satire: Inmiddels is men uitgefeest, maar is het ooit echt een feest geweest?

Door Elinora Née

In dit exposé gaat onderzoekjournaliste Elinora Née in op de vraag: ‘Wordt daar aan de deur geklopt?’

De R van reproductiegetal is weer in de maand en daarmee komt het eind van het jaar 2021 in zicht. Ook dit jaar zal december garant staan voor meerdere gevallen van ‘huisvredebreuk’, stilletjes gepleegd door onbekende insluipers. De ‘inbrekers’ gaan al jaren coronaproof te werk, oftewel gehandschoend, om geen bewijs achter te laten van de identiteit van de weldoener. Hoewel de laatste jaren sprake is van een dalende trend, is het fenomeen nog niet helemaal in de vergetelheid geraakt. De hoogste tijd om naast de oorzaak van de ingezette daling ook de oorsprong van dit gebruik te achterhalen. Volgens mijn internetonderzoek staat een zekere Niko Laos aan het hoofd van het geheimzinnige conglomeraat. Zijn laatst bekende verblijfplaats is de Turkse stad Patara. Ik besluit om daar mijn zoektocht te beginnen. Nadat ik mijn negentiende COrona-Vaccin-IDentificatie digitaal heb opgehaald, pak ik het vliegtuig naar een van de laatste vakantieparadijzen op aarde, gewapend met mijn pen, notitieblok en mondkapje.

Als ik bij de vertrekbalie van het hotel sta waar ik net uit quarantaine kom, zie ik ginds een witte Rolls Royce geparkeerd staan met kentekenplaat Ozosnel. Uiterlijk koel verlaat ik het hotel en loop ietwat zenuwachtig op de bestuurder af, die in plaats van uit de auto rechtstreeks uit een van mijn damesromannetjes lijkt te zijn gestapt. Bij het horen van mijn snelle voetstappen draait de charismatische zakenman zich plotseling naar me om en trekt vragend zijn wenkbrauwen op. Ik kijk zelfverzekerd door mijn vanwege mijn mondkapje ietwat beslagen brillenglazen en stel mezelf luidkeels voor als Elinora Née, freelance onderzoekjournaliste. Een elleboogboks lijkt me wat te familiair, dus geef ik hem een beleefd hoofdknikje.
‘Wat kan ik voor u betekenen, onderzoekjournaliste Elinora Née?’ vraagt de zakenman met een ietwat besmuikte glimlach.
Zijn stem klinkt als vloeibare chocoladeletters. Zonder er blijk van te geven dat dat mij even uit evenwicht heeft gebracht, val ik als ‘geharde’ journaliste gelijk met de deur in huis.
‘Mag ik uit uw kenteken afleiden dat u Niko Laos bent en aan het hoofd staat van een huis-aan-huis-giftleverancierssyndicaat?’ Inwendig glunder ik als ik een voorzichtige blik in zijn ogen zie verschijnen.
‘Ja, dat klopt,’ antwoordt hij kalm.
‘Is men echt erover aan het denken, om niet meer te gaan schenken?’
De knappe vreemdeling lijkt even van zijn stuk gebracht. Hij strijkt nadenkend met zijn hand over zijn gladgeschoren kin en zegt ten slotte: ‘Laten we dit gesprek ergens anders voortzetten dan een plek die aangemerkt is als een publieke ruimte.’
Hij slaat de riem van zijn aktetas om zijn schouder en loopt met stevige pas naar een nabijgelegen park. Haastig probeer ik hem bij te houden.

© Gert-Jan van den Bemd

Tien minuten later neem ik plaats op een bank naast mijn gesprekspartner; naar zuurstof happend en op 1,5 meter afstand. In het midden van een verlaten, keurig aangeharkt plein staat een beeld van zorgeloos spelende kinderen. Wanneer ik mijn mondkapje heb afgedaan en pen en papier in de aanslag neem, kijkt Niko Laos me bedachtzaam aan.
Op zakelijke toon zegt hij: ‘Voordat we in gesprek gaan, wil ik uw woord dat het stuk niet zonder mijn uitdrukkelijke toestemming zal worden gepubliceerd.’
Vergenoegd over het feit dat ik duidelijk iets op het spoor ben, antwoord ik zo koel en professioneel mogelijk: ‘De artikelen van mijn hand zijn altijd waarheidsgetrouwe weergaven van de gesprekken. Mijn doel is om de feiten boven tafel te krijgen. Het uiteindelijke resultaat zal ik voor publicatie naar u toezenden. Censuur zal ik echter niet toestaan.’
Hij laat mijn woorden tot zich doordringen en ziet aan de strijdlustige blik in mijn ogen dat ik in een preek over vrijheid van de pers, meningsuiting en wat dies meer zij zal losbarsten bij een eventueel onvertogen woord van zijn kant. Geamuseerd leunt hij achterover en trekt een wenkbrauw op als teken dat ik mijn vragen mag stellen.
De spanning glijdt uit mijn lichaam en ik vraag nieuwsgierig: ‘Kunt u me vertellen hoe uw onderneming is ontstaan?’
Bij het horen van de woorden “In den beginne” geef ik hem een van mijn gepatenteerde no-nonsense blikken.
Met een grijns op zijn gezicht gaat hij verder: ‘Zoals u waarschijnlijk al weet, kom ik van een zeer oude, zeer welgestelde familie. Een verre voorouder heeft met zijn roeping, om vanuit zijn bisdom de weelde met minderbedeelden te delen, het fundament gelegd voor dit bedrijf. Zijn handel en wandel hebben de huidige onderneming veel goodwill bezorgd. In zijn tijd werd goodwill opgebouwd met gebeden, zoals drie godsvruchtige studenten in zijn tijd hebben gedaan, waardoor mijn voorouder hun moord ongedaan heeft kunnen maken. Het verhaal heeft de basis gelegd voor zijn reputatie als vervuller van wensen.’
‘Ongedaan gemaakt in de zin dat hij de filmmuziek heeft ingetrokken?’ vraag ik nieuwsgierig.
‘U bent zeker fan van The Godfather?’ merkt hij droog op.
‘Nee hoor,’ zeg ik, gepikeerd over het feit dat hij een van mijn favoriete films heeft geraden, ‘ik weet niet eens wie Al Pacino is. Maar wat bedoelt u met de goodwill die de studenten hebben opgebouwd?’ vraag ik, zodat Niko’s aandacht weer gericht is op het interview.
Met een plagerige glimlach vervolgt hij zijn verhaal. ‘Het schijnt dat drie studenten op weg naar hun opleidingsinstituut tijdens een overnachting door een hebzuchtige herbergier en zijn vrouw waren gedood. Voor het slapengaan hadden de vrome studenten echter gebeden voor bescherming.’
Aha, dat is de ‘goodwill’, constateer ik.
‘Na het zich toe-eigenen van de goudstukken die de jongelingen op zak hadden, bedachten zij dat ook de studenten zelf te gelde gemaakt konden worden. De snoodaards kruidden en pekelden de lichamen om deze later aan hongerige gasten voor te kunnen schotelen.’
‘Behoorde uw voorouder tot een van die gasten?’ vraag ik geschokt.
‘Ja, maar gelukkig rook hij tijdig dat het gerecht niet uit dierenvlees bestond. Hij verzocht de doortrapte herbergier en zijn vrouw om hem naar de pekelvat te brengen, waarna hij de studenten tot leven bracht. De plegers van deze wandaad werden vergeven op voorwaarde dat ze anderen in hun leven eveneens een tweede kans zouden geven. Ze mochten hem en de drie studenten zelfs vergasten op een maaltijd, maar dienden deze samen met hen te nuttigen.’
‘Uw voorouder was niet op zijn achterhoofd gevallen,’ zeg ik bewonderend.
‘Het verhaal nemen we binnen de familie eigenlijk met een korreltje zout,’ antwoordt hij, terwijl hij een marsepeinen varken uit zijn aktentas tevoorschijn haalt. ‘Ik moet nog een product voorproeven van onze zustermaatschappij “Wie zoet is, krijgt lekkers”.’
Hij breekt een stuk van de lekkernij af en biedt me het vervolgens aan.
‘Heerlijk!’ roep ik verheugd uit, ik heb net trek in iets hartigs.
Hij barst in lachen uit en zegt: ‘U bent een vrouw naar mijn hart, onderzoekjournaliste Elinora Née.’

Na het verorberen van het staartje van de smakelijke surprise vraag ik ietwat verlegen: ‘Het schijnt dat uw voorouder niet alleen hard of zacht op deuren heeft geklopt, maar ook op menig raam. Kunt u daar meer duidelijkheid over geven?’
Grijnzend kijkt mijn gesprekspartner even weg.
‘Dat klopt,’ zegt hij gevat. ‘Maar het is niet wat het lijkt. Nee, ik bedoel het niet zoals Penny in The Big Bang Theory, nadat ze de nacht had doorgebracht met Rajesh Koothrappali,’ wijst hij me vriendelijk terecht.
Terwijl mijn wangen langzaam beginnen te kleuren en ik voor het eerst in mijn leven wens dat ik een mondkapje op had, gaat hij verder.
‘De redding van drie dochters van een verpauperde edelman ligt aan dit gerucht ten grondslag. Steeds als een van zijn dochters de huwbare leeftijd naderde, bleek dat de edelman niet in staat was een bruidsschat mee te geven, waardoor de betreffende dochter niet goed in de huwelijksmarkt lag. Om te voorkomen dat de meisjes gedwongen waren om voor hun levensonderhoud het oudste beroep van de wereld uit te oefenen, gooide mijn voorouder een buidel met goudstukken door een openstaand raam.’
Ondanks het warme weer loopt er een koude rilling over mijn rug in het besef dat tegenwoordig menig kind in een dergelijke situatie in de kou staat. Niet alleen worden studenten en starters, die zelf net de kinderschoenen zijn ontgroeid, nog steeds figuurlijk uitgekleed bij hun zoektocht naar een veilig onderkomen. Bij sommige zogeheten animeermeisjes en -jongens gebeurt dit onder dwang ook nog eens letterlijk.
‘Tegenwoordig rijdt men liever stilletjes deze huisjes voorbij,’ mompel ik binnensmonds. Stilzwijgend wisselen we een blik van verstandhouding.
Aarzelend stel ik hem de vraag die als een zwaard van Damocles boven onze hoofden hangt: ‘Heeft u een verklaring voor het feit dat de activiteiten van uw bedrijf sinds de oprichting een twistappel onder de bevolking vormen?’
‘Ho ho ho,’ reageert hij ietwat verontwaardigd.
Verschrikt kijk ik op van mijn notitieblok en zie mijn gesprekspartner vermoeid (oftewel Fada, zoals de rapper Fresku vermetel zingt) zijn hoofd schudden.
‘Onze doelstelling,’ verzucht hij, ‘is het aanmoedigen tot het verdelen van de geoogste overvloed onder de mensen, niet het zaaien van onderlinge verdeeldheid. Wij zijn in feite de trendsetters van het latere noblesse oblige,’ verklaart hij trots, ‘wat inhoudt dat een vooraanstaande maatschappelijke positie bijzondere verplichtingen met zich meebrengt…’
‘Aha, with great power comes great responsibility,’ onderbreek ik hem snel, voordat het uitdraait op een saaie geschiedenisles.
‘Inderdaad,’ beaamt hij goedkeurend, ‘daar komt de lijfspreuk van Peter Parker vandaan. Het conglomeraat loopt hier al jaren op vooruit door clandestien te strooien, voorheen met giften en tegenwoordig met snoepgoed. Zo blijft de hoop levend dat er altijd iemand naar de gedupeerden Omzigt, omziet of omkijkt.’
Terwijl ik dit antwoord rustig laat bezinken, stel ik hem nog een laatste vraag.
‘Kunnen de bedrijfsactiviteiten ondanks de striktere coronamaatregelen nog doorgang vinden?’ Vol verwachting luister ik naar het antwoord.
‘Tja,’ zegt hij, achter zijn oren krabbend. ‘De invoering van de avondklok bezorgt de ICT-afdeling veel werk om nieuwe distributietechnieken te ontwikkelen waarbij zoveel mogelijk vanuit huis gewerkt kan worden. Tijdens de Zoom-vergadering heeft Human Being Management me echter verzekerd dat alles snel op stoom komt. Als ze me niet in de boot nemen, voorzie ik vooralsnog geen problemen.’
‘Anders gaan jullie alsnog het schip in?’ vul ik hem schalks aan. We schieten tegelijkertijd in de lach en staan op van het bankje.
‘Het was me een genoegen om met u gesproken te hebben, onderzoekjournaliste Elinora Née. Kan ik u nog ergens mee van dienst zijn?’ vraagt hij, half verwachtend dat ik beleefd zal weigeren.
‘Een ritje met Ozosnel naar de dichtstbijzijnde teststraat zou me nu erg goed uitkomen,’ antwoord ik snel.
Hoofdschuddend begeleidt hij me, overduidelijk geamuseerd, naar de Rolls Royce.
Tijdens de rit draait het lied The Candyman van Sammy Davis Jr. op de achtergrond.
‘Ken je die?’ vraagt hij nieuwsgierig vanachter zijn op maat gemaakte mondkapje als ik zachtjes meeneurie.
Vanachter mijn wasbare exemplaar, dat ik voor een prikkie op de kop heb getikt, antwoord ik met mijn normaliter ontwapenende glimlach: ‘Natuurlijk!’
Aan zijn onderzoekende blik zie ik dat hij me met het lied iets duidelijk wil maken. Wanneer hij de tekst ‘Separate the sorrow and collect up all the cream’ meezingt, valt bij mij het kwartje.
Enthousiast roep ik uit: ‘De klop op de deur dient mensen eraan te herinneren dat ze er in droeve tijden niet alleen voorstaan. Is het binnen werpen van gouden chocolademunten de hoop op een oplossing vanuit een of andere hoek?’
Hij knikt bevestigend: ‘Alleen samen kunnen we ervoor zorgen dat na het zuur, het zoet komt!’

In het vliegtuig neem ik mijn aantekeningen door en hoor ik de stewardessen mompelen over een onverwachte tussenstop in Griekenland, om Nederlanders op te halen die met spoed hun vakantie moeten afbreken. Terwijl ik, na een slok uit mijn blikje cola te hebben genomen, mijn mondkapje weer goed zet en in de krant lees dat er weer een energiebedrijf is omgevallen, probeer ik me te herinneren welke code Griekenland ook alweer heeft. Oranje?
Oh, ik zie op de corona-app een oproep om de boostershot te halen voor de Noordpoolvariant die waarschijnlijk eind van het jaar rond zal gaan waren.

(NB: Het interview is voor het gemak van de lezer vertaald naar het Nederlands.)

Over de auteur:
Elinora Née is onderzoeksjournaliste.

Over de illustrator:
Gert-Jan van den Bemd (Breda, 1964) is schrijver, kunstenaar en wetenschapsjournalist. Hij publiceerde twee romans (
De verkeerde vriend, 2018 en Na de val, 2019) en verhalen en gedichten in onder andere Tirade, Extaze, Op Ruwe Planken en Ganymedes. Met zijn beeldend werk exposeerde hij in Nederland, België, Marokko, Hongarije, Litouwen, de Verenigde Staten van Amerika en Zuid-Afrika.

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Elinora Née & Gert-Jan van den Bemd

You cannot copy content of this page