web analytics
zondag, mei 15

Losgeslagen, ongebonden, onvoorwaardelijk. De verbeeldingsliteratuur van Jack Schlimazlnik. Deel 2 – De schrijver

Door Deborah van Duin

[I]nformatie over de auteur boeit me niet, het idee is immers een boek te kopen en niet de schrijver. Zelfs bij een autobiografie niet. Informatie over de auteur is alleen interessant als het over het boek gaat (bijvoorbeeld “Baantjer werkte zelf jarenlang op bureau Warmoesstraat”), wat enig vertrouwen geeft in wat er gaat volgen als het boek over moord in de buurt van de Warmoesstraat gaat. Ik ga jouw boek dus echt niet lezen! (20 september 2019)

Jack Schlimazlnik werd in 1970 geboren in het Zuid-Hollandse stadje Schoonhoven. Hij doorliep het atheneum en studeerde van 1989 tot 1996 bouwkunde aan de TU Delft, met een afstudeerscriptie over de historische ontwikkeling en herinrichting van Flevoland. Hij woonde in Schoonhoven en Den Haag en studeerde een korte periode in Duitsland (Hannover), het land waar zijn grootmoeder vandaan kwam. Na zijn afstuderen had hij verschillende banen, onder meer als helpdeskmedewerker en schrijver van softwarehandboeken. Zijn debuut als gepubliceerd schrijver maakte hij in 2010 met het steampunkverhaal Stoommeisjes. In de jaren daarna volgden meer verhalen, die verschenen in bundels en tijdschriften en op het publicatiemedium Smashwords. Daarnaast deed hij mee aan verhalenwedstrijden. Ook jureerde, blogde en recenseerde hij. Op 9 mei 2020 overleed hij op 49-jarige leeftijd aan de gevolgen van het coronavirus.

Dit tweede deel van het artikel gaat in op de schrijver achter de verhalen, aan de hand van verschillende aspecten van Schlimazlniks biografie.

De wereldbouwer
Schlimazlnik leerde vroeg lezen en typte in de jaren 70 al verhalen op de schrijfmachine van zijn moeder. In die periode ontstond al dagdromend en fantaserend de wereld Daleth, ‘an imaginary gothic world floating through fantasy, horror and steampunk with a romantic Biedermeier/Victorian echo’. Hij maakte er landkaarten voor en bedacht verhalen. Zijn studie bouwkunde voedde zijn passie voor cartografie en geofictie. Vanwege cijferblindheid specialiseerde hij zich in stads- en landschapsontwerp, verkeerskunde en historische geografie. De kaarten die hij van Daleth maakten waren zorgvuldig, zoals die van de steden Ciniz en Elfane. Van 2001 tot 2016 was hij actief lid van het Duitstalige geofictieforum Weltenbastler, waar leden elkaar adviseerden en inspireerden over zelfbedachte werelden. Daar had hij regelmatig een adviseursrol als het ging om zaken als bevolkingsdichtheid en bijvoorbeeld de vraag of het verdienmodel van een taveerne het waarschijnlijk maakt dat elk dorp er eentje heeft, zoals in veel fantasyboeken het geval is. Hij maakte rekenprogrammaatjes waarmee wereldbouwers konden uitrekenen hoeveel schapen, akkers en molens nodig waren om een stad te voorzien. Landschap en menselijke activiteit moesten in goede verhouding tot elkaar staan,vond hij, ongeacht aan welke kant je begon met het wereldbouwen. Logisch denken was een essentiële bodem voor de verbeelding:

Er is een reden dat veel sciencefictionliefhebbers iets met techniek hebben, “iets met computers” hebben geleerd, of aan de technische universiteiten hebben gestudeerd. De manier van denken is terug te vinden in hun schrijven. Wat meer is: die bètastudenten zijn bovengemiddeld vaak mensen “op het autistisch spectrum”, die het analytische en logische denken dat daarin vaak voorkomt in hun voordeel hebben weten te gebruiken (…) Boven alles is het de (natuur)wetenschap die me in de sciencefiction aantrekt, het wetenschappelijk denken dat aan goede sciencefiction ten grondslag ligt, bij voorkeur logisch en niet gehinderd door sentiment. Het is niet voor niets dat ik het genre ben gaan herwaarderen op de technische universiteit: daar vond ik medeliefhebbers van het genre, mensen die ook begrijpen wat je bedoelt als je ingaat op de technische details, hoe vergezocht ook. Toekomstdenken – Jack Schlimazlnik (26 maart 2018)

In zijn wereldbouwen streefde hij aan de ene kant volledigheid na. In 2008 zegt hij op Weltenbastler dat je een wereld niet grondig en gedetailleerd genoeg kan uitwerken. Voor Daleth heeft hij dan bijvoorbeeld nog veel te ontwerpen voor het spoorwegnet. ‘Ik ben pas klaar met Daleth als het volledige telefoonboek van de keizerlijke pneumatisch post klaar is,’ merkt hij op, misschien niet helemaal serieus. Weltenbastler, discussie over ‘Firmen, Unternehmen und Betriebe eurer Welt’ (4 januari 2008) [vertaling uit het Duits: DvD]
Aan de andere kant vond hij dat inspiratie onmisbaar is in de verbeelding. Een zelfbedachte wereld hoeft ook niet te corresponderen met de werkelijkheid zoals die hier is. Sterker nog: een wereld die zich volledig conformeert aan de realiteit kan eigenlijk geen zelfbedachte wereld meer genoemd worden. Bij het bouwen van een fantasywereld moet de vraag niet zijn hoe het bij ons in de middeleeuwen was. Een sciencefictionwereld hoeft niet in Einsteins relativiteitstheorie te passen. Creativiteit kent geen grenzen en in het zelfbedachte is alles mogelijk.

De avatar
In 1999 nam Schlimazlnik thuis internet en begon aan het online uitwerken van Daleth, met kaarten en beschrijvingen van regio’s en volkeren. Op Weltenbastler werd hij al gauw zeer actief. Als aspirant-leden ‘solliciteerden’ om toelating te krijgen (zoals bij Weltenbastler de procedure was), bekeek hij de gepresenteerde werelden zorgvuldig en kritisch, maar liet zijn uiteindelijke oordeel altijd sterk beïnvloeden door de vraag of er potentie zichtbaar was. De sfeer op het forum maakt een gemoedelijke indruk en Schlimazlnik leek zich er thuis te voelen. In 2008 organiseerde hij het ‘Wichteln’ van dat jaar: een evenement waarbij de leden lootjes trokken en elkaar iets voor hun wereld cadeau gaven: een spel, een lied, een stukje historie.

Ook op andere forums werd hij actief, zoals het Nederlandse Pure Fantasy, waar hij een jaar of tien deelnam aan discussies. Zelf startte hij een blog over steampunk en gothic horror, Gothic Steampunk Phantastic. Hierop plaatste hij tussen 2003 en 2009 artikelen over steampunk en daarnaast recensies van boeken, strips, films en games die iets met steampunk te maken hadden. Aan de blog was ook een forum verbonden, een van de eerste forums waar gediscussieerd kon worden over steampunk. Op YouTube postte hij onder dezelfde noemer filmpjes over stoomevenementen, plekken in binnen- en buitenland die hij had bezocht en andere zaken die zijn aandacht hadden. De naam waaronder hij deze activiteiten ontplooide was ‘Yaghish’, een vrij toevallig gekozen naam die ‘regen’ betekent in het Azeri. In 2008 begon hij een nieuwe blog onder de titel Scriptorium. Hier zou hij tot zijn dood artikelen en recensies plaatsen. Twitter en Facebook volgden in respectievelijk 2010 en 2011. Op Twitter omschreef hij zichzelf als ‘Schrijfingenieur met botte bijl’. In 2012 richtte hij een website in over zijn literaire activiteiten.

De naam ‘Jack Schlimazlnik’ zag in de loop van het eerste decennium het licht. De opvallende achternaam komt uit het Jiddisch en betekent ‘pechvogel’. Schlimazlnik koos dit woord omdat het elementen uit drie verschillende taalfamilies omvat: het Germaans, het Hebreeuws en het Slavisch.

Ik gebruik het al langer op forums omdat ik vrijwel zeker weet dat die naam niet gebruikt wordt door een ander. En het is weer eens iets anders dan een pseudoniem dat suggereert dat je Amerikaans bent of uit een fantasywereld bent komen rollen. Onder mijn eigen naam schrijf ik geen fictie, er zijn er al te veel in de familie die dat doen. Even aanstellen: Schlimazlnik (15 augustus 2010)

Los van deze tamelijk praktische reden bood het pseudoniem hem ook een ander soort vrijheid:

Een pseudoniem, forumnaam, nickname, avatarnaam: het is in alle gevallen een manier om de echte wereld van je af te laten vallen zodat je echt jezelf kunt zijn en niet beperkt wordt door de bekrompen verwachtingen van anderen en de banden in het echte leven die je niet op een andere manier van je af kunt laten vallen. Je bent niet meer gebonden: je bent vrij. Pseudoniemen, anoniemen, extraniemen: mag je jezelf nog zijn? (31 juli 2011)

In latere blogs merkt hij op dat voor sommige artiesten een pseudoniem eigenlijk een nieuw personage is, een identiteit vanuit waar de artiest scheppend werk verricht. Dat werk vormt de artiest vervolgens ook steeds meer. In hoeverre dat voor hemzelf opging wordt niet duidelijk. Feit is dat hij zijn schrijverschap volledig onder het pseudoniem bracht en daar voor zijn fysieke alter ego geen enkele plaats bood. De schrijver was het pseudoniem.

Bij de finale van de verhalenwedstrijd Fantastels 2012 in april 2013 was hij fysiek nog aanwezig om de derde prijs voor De held van Hunzelo  in ontvangst te nemen, maar daarna hield hij het voor gezien. Dergelijke evenementen waren door de overdosis aan prikkels te druk, waardoor hij dagen nodig had om bij te komen van alle indrukken.

Ik ben oude verhalen terug gaan lezen. Ze zijn niet slecht geschreven, maar ik weet nu dat ik het beter kan. Toch is het intrigerend dat de thema’s hetzelfde lijken te blijven. En dat ik in die oude verhalen, van zo’n 20 jaar terug, feitelijk al teruglees wat nu de basis van mijn gezondheidsklachten is. (…) Nu heet dat “autistisch spectrum stoornis” (ASS), waar, volgens de nieuwe inzichten, de introverte persoonlijkheid vermoedelijk ook bij hoort. Toen ik het schreef had ik daar nog nooit van gehoord. ADHD evenmin; ook een aandoening die met overprikkeling te maken lijkt te hebben.
Tegenwoordig is dat allemaal zo’n beetje mode. Een start van 2013, dromen en schrijven (6 januari 2013)

De overgevoeligheid voor prikkels had ook invloed op de manier waarop hij las. Zo vond hij telegramstijl vermoeiend, omdat daarbij alle woorden evenveel aandacht vragen, waardoor hij de tekst ervoer als een voortdurend getetter in zijn hoofd. Hij had behoefte aan rust in een tekst, een afwisseling van snel en langzaam, en de ruimte om te kunnen nadenken over het verhaal.

De lezer
Schlimazlnik was levenslang een verwoede fictielezer. Als tiener las hij horror en thrillers voor volwassenen. YA-boeken spraken hem niet aan omdat de nadruk daar te veel lag op relaties.

School vereiste ook literatuurstudie. Hij deed examen in de talen Nederlands, Duits en Engels. In een Scriptorium-blog uit november 2008 geeft hij een opsomming van de werken die hij daarvoor moest lezen, met commentaar. Het overzicht geeft een indruk van hoe de middelbare scholier én de volwassen schrijver tegen literaire romans en poëzie aankeken. De voorliefde voor het fantastische genre en voor de romantiek is duidelijk zichtbaar, evenals de aversie tegen boeken die zwaar leunen op relaties of die over de Tweede Wereldoorlog gaan. Karel ende Elegast en Mariken van Nieumeghen zag hij als lezenswaardige verhalen, evenals Gysbreght van Aemstel. Fantastische vertellingen van Bordewijk en De kellner en de levenden van Simon Vestdijk zag hij als vormen van verbeeldingsliteratuur. Camera obscura van Hildebrandt is ‘een leuk en informatief boek voor mensen die zich met steampunk bezighouden’. Jamaica Inn van Daphne Du Maurier is een ‘spooky verhaal over smokkelaars als ik het me goed herinner, maar tevens, en dat is jammer, een relatiedrama.’ Binnen de Duitse romantiek las hij werken van E.T.A. Hoffmann, Adelbert von Chamisso en Friedrich Schiller. Verder las hij de streekromancyclus Stiefmoeder Aarde van Teun de Vries (‘klompenliteratuur en dat is positief bedoeld’), Gedichten van de Schoolmeester (‘erg grappige gedichten, hoewel ze veelal als oubollig worden gezien’) en ook Snikken en grimlachjes van Piet Paaltjens, een dichter van wie hij later meer zou lezen. De citaten in deze alinea zijn afkomstig uit Literatuurlijst (29 november 2011).

Sciencefiction en fantasy ontdekte hij pas in de jaren 90, met schrijvers als Terry Pratchett (bekend van de Discworld-boeken) en Tad Williams, in wiens Osten Ard-reeks hij tot zijn vreugde een held met rood haar trof. Hij was verder bekend met klassiekers zoals de Sherlock Holmes-verhalen, Agatha Christie, Edgar Allen Poe, H.P. Lovecraft en verhalen over Jack the Ripper. Toen sciencefiction en fantasy voor zijn gevoel aan kwaliteit begonnen te verliezen, schakelde hij over op cyberpunk en steampunk. Zijn interesse voor de thrillers die hij als jongere las verdween overigens nooit, getuige zijn vele recensies binnen dit genre.

Hij las breed. Zijn recensies bestrijken het hele palet, van een Penny Jordan-romannetje via Kevin Valgaerens Blackwell-reeks en Franse fantasystrips tot Joe Speedboot en politieromans binnen de Baantjer-verhaalwereld. Als forens reisde hij jaren met het openbaar vervoer. Uit recensies blijkt soms dat hij de betreffende roman maar ging lezen bij gebrek aan andere reislectuur. Hij nam ook wel eens iets mee uit een minibieb, las ‘s zomers de Vakantiebieb leeg en zette gratis aangeboden e-boeken op zijn telefoon. Schrijvers bewonderen deed hij zelden. Wel had hij veel respect voor Jan Bee Landman, Jaap Boekestein en vooral Jan J.B. Kuipers, alle drie Nederlandstalige schrijvers van verbeeldingsliteratuur.

Poëzie las hij ook graag, al noemt hij nergens specifieke dichters of bundels. ‘Als ik over emoties wil lezen, pak ik geen genreverhaal (maar bij voorkeur een dichtbundel).’ Analyses van analyses: feedback op Peter Kapteins verhaal Een aantal consequenties… (3 maart 2014). Ook songteksten konden hem aanspreken, bijvoorbeeld die van de Russische singer-songwriter Aleksandr Basjlatsjov, en, gezien het feit dat hij op zijn website muziek als eerste inspiratiebron noemt, ongetwijfeld ook van andere artiesten. Punk en rock hadden levenslang zijn muzikale voorkeur, onder meer van bands als Slobodná Európa, Zóna A en Indochine.

Films en tv-series die hij als favorieten noemt, zijn The Great Race, de Mad Max-films en, vooral, Twin Peaks. Over deze laatste serie, die in 1990-91 een hype was, zegt hij in 2018 op Facebook:

Ik denk ook dat het kijken van de serie indertijd mij enorm heeft gevormd als schrijver. Het experiment zoeken, maar ook die mix van een geloofwaardige wereld die tegen “uncanny valley” aanhangt en waar meer gebeurt dan je op het eerste oog zou vermoeden. Er zijn zoveel vragen, geheimzinnige en krankzinnige personages, verhaallijnen, dat je moeiteloos zelf nog heel veel erbij kunt verzinnen.

Incidenteel noemt hij beeldend kunstenaars die hij waardeert, zoals François Schuiten, Benoit Peeters en Harry Clarke. De romantische schilder Caspar David Friedrich (1774-1840) komt een aantal keren terug in zijn werk, onder meer met het schilderij Der Wanderer über dem Nebelmeer, waarvan een bewerkte versie op zijn website te vinden is. De op de rug afgebeelde roodharige man staat neer te kijken op een sfeervol landschap met steampunkelementen. Een ander schilderij van Friedrich, Zwei Männer in Betrachtung des Mondes, wordt aangestipt in De windjutters onder het grote gat van de Hemel. Als de deltavlieger Jeroen het hemeldoek heeft opengescheurd en de twee windjutters voor het eerst van hun leven de maan aanschouwen, zijn ze ontroerd. Hand in hand en wankelend op hun stelten kijken ze. ‘Zo stonden ze naar de maan te staren als op een oud schilderij.’

De spons
Het is niet gemakkelijk om vast te stellen welke van al deze teksten en beelden daadwerkelijk inspiratiebronnen zijn geweest voor zijn verhalen. Op zijn website zegt Schlimazlnik: ‘Er is veel dat mij heeft beïnvloed. Muziek, films, gedichten, romans en korte verhalen. Te veel om op te noemen!’ Inderdaad lijkt veel van zijn denken en creëren simpelweg te zijn voortgekomen uit het opzuigen van zaken die op de een of andere manier pasten bij zijn verhaalwerelden en verhalen. Uit recensies blijkt dat hij veel wist van legenden, mythologieën en occulte zaken. Dat laatste interesseerde hem dermate dat hij op de middelbare school zelfs nog overwogen heeft om parapsychologie te gaan studeren.

[A]l bij mijn opa vond ik boeken over de Bermudadriehoek en op tv zag je in mijn jeugdprogramma’s over “onverklaarbare zaken”, zowel het paranormale als dat wat meer tegen de samenzweringstheorieën aanschurkt – de voorlopers van The X-Files. Dat heeft me altijd geboeid. Schli leest – Het Petrus Mysterie door Jeroen Windmeijer (19 maart 2020)

Als hij ergens op vakantie was, kocht hij daar vaak een boek met de sagen en legenden uit de regio. Verder blijkt ook een grote belangstelling voor genealogie. ‘Als je inspiratie zoekt, kan ik je van harte aanbevelen om je eigen familiegeschiedenis te onderzoeken,’ merkt hij in 2019 op. De moeder, de vrouw, de betovergrootmoeders en nog verder terug (21 maart 2019)

Hoewel hij een cartofiel was die liever een atlas las dan een woordenboek, was hij zeer geïnteresseerd in etymologie. Op zijn website beveelt hij de Etymologiebank aan als handig voor schrijvers, evenals trouwens het niet meer bestaande Neerlandsch Genootschap ter bevordering van het Belegen Woord (‘ouderwetse, vergeten, verdwenen, oubollige en andere mooischrijfwoorden’). Zijn plezier in het spelen met volksetymologie blijkt uit de Scriptorium-blog Verklaar het woord (2009). Hier verzint hij de etymologische oorsprong van woorden als ‘raddraaier’, ‘hotemetoot’ en ‘politiek’, door letters te vervangen, er pseudohistorische anekdotes aan op te hangen en het geheel af te sluiten met een knipoog naar een modern maatschappelijk euvel.

Van één schrijver kan met enige zekerheid worden gezegd dat die op meerdere manieren een inspiratiebron is geweest: François Haverschmidt (1835-1894), die onder het pseudoniem Piet Paaltjens gedichten schreef. Haverschmidt was behalve dichter ook vrijzinnig predikant en een fervent liefhebber van de Friese cultuur. Als kind bedacht en beschreef hij een fictieve wereld rond de kat Jelle Gal en tegenwoordig wordt hij algemeen gezien als de belangrijkste auteur van het Oera Linda-boek, een fictieve mythologische geschiedenis van het Friese volk die in de jaren 70 van de negentiende eeuw enige tijd voor echt werd aangezien. In zijn gedichten gaat romantische gezwollenheid hand in hand met (zelf)ironie. In dat laatste is eerder melancholie aanwezig dan satire. Schlimazlnik las Paaltjens’ Snikken en grimlachjes op de middelbare school en noemt het van de leeslijst zijn ‘meest dierbare’ en Haverschmidt ‘een fascinerende man’. Naar het romantisch-ironische gedicht De Friesche poëet verwijst hij expliciet in twee verhalen.

© Pexels

De criticus
Richtten de recensies op Gothic Steampunk Phantastic zich nog hoofdzakelijk op de vraag of een boek, strip, film of game interessant was voor steampunkfans, op Scriptorium koos Schlimazlnik een meer literair-kritische benadering. Daar blogde hij frequent over wat er in zijn ogen niet goed was aan veel recensies en recensenten.

Voor mij is een recensie identiek aan een bespreking en is er geen oordeel aan gekoppeld dat gevangen kan worden in een cijfer, ballen, sterren, kraaien of wat er verder nog wordt uitgedeeld. Een recensie die voornamelijk bestaat uit een samenvatting van het boek en een oordeel van de lezer is voor mij helemaal geen samenvatting, maar een ongegronde mening. Waarom ik jou recensies helemaal niks vind! (30 april 2020)

Tot kort voor zijn overlijden plaatste hij zelf op Scriptorium en ook op Hebban recensies. Deze konden kort of lang zijn, lovend of negatief, maar boeken werden altijd langs dezelfde lat gelegd. In een goed verhaal is de verhaalwereld (in het bijzonder een fictieve wereld) overtuigend en voldoende beschreven, zodat de lezer zich er kan wanen. De motivatie van de hoofdpersonen is duidelijk; de lezer moet hun gedachten kunnen begrijpen. De hoofdpersoon van vooral vrouwenthrillers draagt actief bij aan de ontknoping en is niet enkel een excuus om persoonlijke problemen ‘herkenbaar’ te etaleren. De feiten kloppen. Er wordt blijk gegeven van research, zonder dat er sprake is van infodumps. Een ontknoping berust niet te veel op toeval. Als een personage iets weet dan moet hij dat logischerwijze hebben kunnen weten. Tegelijkertijd is een ontknoping niet de essentie van een goed verhaal. Een goed verhaal kun je meermalen lezen. Van het taalgebruik moet te genieten zijn en taalfouten wijzen op ondeugdelijk uitgeverschap.

Vanaf 2009 jureerde hij een aantal jaren in genrewedstrijden. De in zijn ogen subjectieve jurering bij wedstrijden was regelmatig het onderwerp van kritische reflecties. In de blog Een hard, maar objectief oordeel uit 2016 komen zijn opvattingen samen. Het is wel degelijk mogelijk om objectief te jureren, stelt hij. Het gaat erom dat je bekijkt welke gereedschappen de schrijver gebruikt en hoe deze zijn ingezet om een bepaald effect te bereiken. Vervolgens kun je beoordelen in hoeverre de schrijver in zijn opzet is geslaagd.

Bij mij scoort een verhaal hoger naarmate de schrijver beter in staat is geweest om zijn doel te bereiken. Voor mij is dat een objectieve manier van beoordelen, omdat het niet afhankelijk is van mijn smaak of voorliefde. Dat is voor mij absoluut het allerbelangrijkste bij jureren. Genre, doelgroep: het maakt allemaal niet uit zolang de schrijver in staat is zijn doel te bereiken. Een superspannend avonturenverhaal voor kinderen hoeft daarom niet lager te eindigen dan een filosofische roman voor intellectuelen. In andere woorden: als schrijver schep je je eigen voorwaarden voor een objectieve beoordeling: stel jezelf een duidelijk doel en blijf daarnaar streven. Een hard, maar objectief oordeel (28 juni 2016)

Wat niet thuishoort in een juryoordeel zijn zaken als herkenbaarheid, de mate waarin de lezer zich emotioneel geraakt voelt, of de hoofdpersoon sympathiek is en of het ‘vlot geschreven’ is. Originaliteit en complexiteit scoorden voor hem als jurylid wel hoog, hoewel hij dat zag als subjectieve criteria. Met complexiteit bedoelde hij dat een verhaal meermalen gelezen kan worden en steeds nieuwe inzichten geeft, maar ook dat

elk woord een doel heeft, dat er geen woord te veel staat, zelfs niet als het veel woorden zijn, of lange zinnen. Door de woordkeus meandert en stuwt het verhaal vanzelf voort en krijgt het zijn kleur zonder dat het benoemd wordt, het is een betoverend ritme in proza, wat zelfs niet vaak in poëzie wordt gevonden. Een hard, maar objectief oordeel (28 juni 2016)

In 2018 organiseerde hij zelf een wedstrijd, Huiveringen, voor horrorverhalen. De bedoeling was dat de juryleden niet scoorden aan de hand van een puntenschaal, maar dat ze elk objectieve argumenten formuleerden over waarom ze het ene verhaal beter vonden dan het andere en vervolgens in gesprek tot een unaniem oordeel kwamen. Hij legde zelf prijzengeld in. Er werden 15 verhalen ingestuurd, maar het project liep stuk op verschillen van inzicht en op communicatieproblemen tussen Schlimazlnik en juryleden. Op 30 mei 2019 postte hij ‘s avonds laat het organisatieverslag, dat hij afsloot met:

Er is geen winnaar, want de jury is gediskwalificeerd door zich niet aan het reglement te houden. Had ik het anders aan moeten pakken? Waarschijnlijk wel, maar dat zie je altijd achteraf pas – dat is denk ik bij elk project zo. Het jammere is dat ik de juryleden heb overschat, ik had verwacht dat ze volwassener en professioneler zouden zijn en niet steeds aan het handje gehouden hadden moeten worden. (…) Het spijt mij enorm dat het zo is gelopen, dat het experiment met een discussie over de verhalen om zeep is geholpen en dat er geen winnaar is. Ik biedt daarvoor mijn oprechte excuses aan. De uitslag: het organisatieverslag (30 mei 2019)

De volgende ochtend, terwijl er een heftige Facebook-discussie woedde, stapte hij op de trein naar Lelystad, om op zeilschip de Willem Barentz en op de Marker Wadden het verhaal De windjutters onder het grote gat van de Hemel te schrijven.

De schrijver
‘I always felt a need to write things down, thoughts, stories, notes, everything,’ schrijft hij aan het begin van de eeuw op zijn Daleth-webpagina. ‘Some might say writing is a hobby or a job, to me it is a neurosis.’ Waarschijnlijk schreef Schlimazlnik een veelvoud van wat uiteindelijk het buitenlicht zag. In juli 2015 merkt hij en passant op dat hij een voorraad van 200 verhalen had liggen die op zich goed waren maar qua taalgebruik niet meer aan zijn eisen voldeden. Dit suggereert dat sommige verhalen die laat zijn uitgebracht wellicht enkel een stilistische make-over hebben gehad, maar dateren uit een eerdere periode. Wie het oeuvre chronologisch leest, verbaast zich over de onevenwichtigheid ervan. Een complex en zorgvuldig geschreven verhaal als Picasso heeft de late dienst dateert uit hetzelfde jaar als Het zilver van Niilantis, dat vergelijkbaar is met de vroege, eenvoudige Blato-verhalen. De verhalen die hun wortels hebben in de jaren 90 (De verkeerde wissel, De stoel van Rietvelt en Bijtende kou) zijn in veel opzichten uitdagender dan het merendeel van de sprookjesachtige fantasyverhalen uit het decennium erna. Een uitspraak uit 2015 onderstreept dat hij allereerst voor zichzelf schreef en verhalen inderdaad soms pas jaren later naar buiten bracht:

Schrijf wat je wilt, bouw een archief op van je werk, redigeer naarmate je meer leert en stuur het in als de tijd er rijp voor is. Wonderwaan 35 (3 november 2015)

Hoe dan ook, een flink deel van zijn productie is niet beschikbaar. Dit geldt in elk geval voor alle romans waarnaar hij in de loop van de jaren verwijst. Rond 2006 voltooide hij een Engelstalig romanmanuscript, Dutch Courage, waarin de roodharige held Mad Jack zich blowend staande houdt in een dystopisch Nederland. Ook in de periode daarna lijkt hij nog een aantal romanmanuscripten te hebben voltooid, waaronder eentje over Daleth. In de zomer van 2017 begon hij te schrijven aan een avonturenthriller, gesitueerd in een fictief Midden-Amerikaans land en deels gebaseerd op de verhalen van een oud-collega. Het schrijven van een roman werkt anders dan het schrijven van korte verhalen, blogt hij in oktober 2017:

Het is een bepaald soort vrijheid dat je bij de roman niet bent gebonden aan een maximum aantal woorden, zoals bij korte verhalen voor schrijfwedstrijden. Er zit ook geen deadline aan. Bij schrijfwedstrijden voor korte verhalen plan ik meestal het aantal woorden per verhaaldeel, dus inleiding, einde, en de verschillende delen van het middenstuk. Dat hoeft nu niet, het luistert niet zo nauw. Daarmee lopen de delen soepeler in elkaar over (aan het einde van de inleiding begint een subplot, en wordt later door een andere subplot overlapt, etc), ook omdat er verschillende subplots met een eigen dynamiek zijn. In korte verhalen kan ik meestal maar één plot en geen subplots kwijt. Het nadeel merk ik nu het verhaal naar het einde loopt: hoe rond je alle subplots af, en moet je ze wel allemaal afronden? In de maak: avonturenthriller (nog zonder titel) (10 oktober 2017)

In de daarop volgende twee jaar was hij bezig met herschrijven en corrigeren. Omdat hij dacht meer kans te maken bij een grote uitgever, ging hij vanaf begin 2019 aan de slag met een tweede roman, die hij consequent aanduidde als ‘Mijn Dan Brown’ en waaraan hij tot zijn dood werkte. Daarin wordt het hoofdpersonage door een fictieve organisatie opgejaagd en moet hij ontdekken wat er in het verleden is gebeurd. Het historische research, onder meer naar heren van Schoonhoven in de veertiende eeuw, kostte hem veel tijd. In deze periode stagneerde zijn productie van korte verhalen. Hij weet dit aan het feit dat hij zich op zijn werk voortdurend moest bedienen van het Engels, wat zijn Nederlandse taalgevoel verstoorde. Research gaf hem in deze periode toch de mogelijkheid om bezig te zijn met zijn fictie.

Los van de Engelstalige verhalen die zich in Blato en Daleth afspelen bestaat het openbaar beschikbare oeuvre van Schlimazlnik uit ongeveer 70 verhalen. Ongeveer 10% daarvan kan niet als verbeeldingsliteratuur worden aangemerkt, bijvoorbeeld het Libelle-achtige De Griekse kust uit 2012 en de thriller Stille wateren, in 2016 geschreven voor een Nordic Noir-bundel. Hierbij zijn niet meegerekend een groot aantal zeer korte verhalen, zoals die geschreven voor 120w.nl en verschillende fragmenten.

Om zijn verhalen voor het voetlicht te brengen bewandelde hij de weg die gebruikelijk is binnen de Nederlandstalige verbeeldingsliteratuur. Die valt namelijk voor een groot deel buiten het circuit van de gewone boekhandel(keten), waar hoofdzakelijk vertalingen uit het Engelse taalgebied te koop zijn. De meeste romans en verhalenbundels van Nederlandse genreschrijvers verschijnen bij kleine specialistische uitgeverijen. Geïnteresseerden kunnen deze publicaties online aanschaffen of op de fantasybeurzen die meerdere malen per jaar in het land georganiseerd worden. Daarnaast kunnen schrijvers hun verhalen aanbieden aan de handvol Nederlandstalige tijdschriften die zich in genreliteratuur specialiseren. Verder bestaat er een levendig wedstrijdcircuit waarbinnen bekende en nieuwe schrijvers hun geluk kunnen beproeven. Van de hoogst geëindigde verhalen van een wedstrijd wordt soms een bundel samengesteld. Ook brengen de genre-uitgeverijen wel eens een bundel met een bepaald thema uit, waarvoor schrijvers meestal gericht worden benaderd om bij te dragen met een verhaal.

Schlimazlnik benutte al deze mogelijkheden. In 2010 verscheen zijn eerste gepubliceerde verhaal, Stoommeisjes, in Pure Fantasy 18+, een bundel met erotische genreverhalen. Er volgden meer verhalen in themabundels, met als laatste Het einde gaat aan de eeuwigheid vooraf, dat postuum verscheen in Eindtijden in de polder. Zelf was hij de samensteller van een e-bundel met steampunkverhalen, In de schaduw van het Keezending, waaraan genreschrijvers als Boukje Balder en Terrence Lauerhohn een bijdrage leverden. Tussen 2015 en 2018 verschenen vier verhalen van zijn hand in het tijdschrift Wonderwaan. Daarnaast deed hij vanaf 2010 fanatiek mee aan genrewedstrijden. Hoge noteringen waren er onder meer voor Op ons kunt u bouwen, De held van Hunzelo en Een van ons. In 2016, zijn meest productieve en succesvolle jaar, domineerde hij de Trek Sagae-wedstrijd met drie verhalen in de top 6 en werd hij tweede bij Fantastels met Algorhythm ‘n’ blues, dat een jaar later Edge Zero zou winnen.

Hij was gefrustreerd over de zwakke positie van de genreliteratuur binnen het bredere literaire landschap, maar kon er weinig aan veranderen. Schrijvers horen fatsoenlijk betaald te worden, vond hij, gezien de tijdsinvestering die erin gaat. Tegelijkertijd vond hij dat de toch al overspannen boekenmarkt verpest werd door amateurschrijvers die slecht schreven of vooral bezig waren met het circus rondom het ‘schrijver zijn’. Respect voor schrijvers had hij niet,

evenmin als voor iemand anders, tenzij ze iets uitzonderlijks presteren. Je moet immers, ook als schrijver, gewoon je werk doen. Een schrijver die een goed leesbaar en boeiend verhaal heeft geschreven, heeft niet meer gedaan dan zijn werk. Geen respect voor schrijvers: schrijver zijn is geen erebaantje (11 april 2012)

Of hij ooit daadwerkelijk romanmanuscripten naar uitgevers heeft gestuurd is niet duidelijk. Soms leek hij in contact te staan met een redacteur, op andere momenten stelde hij dat hij zijn schrijven nog niet goed genoeg vond voor uitgave.

Van zijn eigen verhalen bracht hij twee bundels in e-boekvorm uit. Kust (2012) bevat vijf verhalen, deels geschreven onder het pseudoniem Judic Oostbroek. Het overkoepelende thema van de bundel is ‘erotiek’ (wat ook uit de trailer van de bundel blijkt), maar de verhalen lopen zeer sterk uiteen in sfeer en denkbare doelgroep. De Griekse kust is een vlot geschreven erotisch verhaal met een verrassende ontknoping. Aan de andere kant van het spectrum staat het sprookje Familiejuwelen uit de oude doos, waarin een hebzuchtige dwerg uit een avontuur tevoorschijn komt met een geslachtsdeel van uitzonderlijke proporties.

De zeventien verhalen in de andere bundel, Horrorwinter: huiveringwekkende verhalen voor bij het haardvuur, hebben allemaal betrekking op winter, ijs en kou. Het was een groeiende collectie waaraan Schlimazlnik in de periode 2013-16 steeds nieuwe verhalen toevoegde. Ook hiervoor maakte hij een trailer. De bedoeling was om via crowdfunding financiering te vinden voor een uiteindelijke selectie en de bundel vervolgens in boekvorm uit te geven. Daar is het nooit van gekomen, waardoor net als bij Kust de huidige verzameling wat doelgroeponduidelijk is. Naast hoofdzakelijk in Friesland gesitueerde spookverhalen zoals Geen dweilpauze, De verkeerde wissel en De hartstocht vinden we er verhalen die een sterkere gothic sfeer hebben, bijvoorbeeld Bijtende kou, ‘En route’ – De wolven van de wegen en Oudenrijn. Enkele verhalen, zoals Onheuglijke winter en De snertwedstrijd staan dan weer op zichzelf door hun thematiek of beoogde humor.

De zoeker
Het eerste jaar na zijn debuut lijkt hij ook pogingen te hebben gedaan om in het literaire circuit door te dringen. In 2011 deed hij mee met de Piet Paaltjens Prijs, uitgeschreven door de bibliotheek van Schiedam, met het verhaal, Koekoeksklok en toverlantaarn. Dit magisch-realistische verhaal gaat over een man die een toverlantaarn en een klok van zijn Duitse grootvader erft en bij bekijken van de beelden de herinneringen aan zijn grootvader (en daarmee de kapotte klok) tot leven brengt. Zelf vond Schlimazlnik het op dat moment een van zijn beste verhalen, maar het kwam niet door de voorronde heen. Teleurgesteld blogt hij:

Geen idee waarom. Alhoewel: de tekst leest niet vlot, er zitten moeilijke woorden in, en je moet erbij nadenken om het te snappen, je kunt niet meeleven met de personages, de dialoog ontbreekt vooral, het genre is onduidelijk en het thema is niet populair. (…) Current mood: depressed. De koekoeksklok en de toverlantaarn (inzending Piet Paaltjens Prijs 2011) (13 november 2011)

De verwoede pogingen om zichzelf te verbeteren waren regelmatig het onderwerp van blogs en social media-uitingen. Een groot deel van zijn kritiek op bijvoorbeeld wedstrijdjury’s valt hier ook op terug te leiden. Los van het standpunt dat een jury het niet bij een ‘lezersbeleving’ hoort te houden maar een unaniem en objectief kwaliteitsoordeel zou moeten geven, boden juryrapporten hem als deelnemer geen handvatten. Online forums gaven hem ook niet wat hij zocht, iets waarover hij zich uitliet op niet altijd even diplomatieke wijze. In zijn hoofd ontstond een schifting tussen verhalen die voldeden aan zijn eigen ambities enerzijds en verhalen die hij wat haastiger schreef om wedstrijddeadlines te halen anderzijds.

Zo deed hij in 2016 mee aan wedstrijden met onder meer Het waterparadijs en Algorhythm ‘n’ blues. Het waterparadijs gaat over een jongen die zich tijdens een vakantie aan de Rivièra door een zeemeermin laat verlokken, al weet hij dat hij daarmee vaarwel zegt tegen zijn kansen op een betekenisvolle, menselijke relatie. Eenmaal weer thuis in Almere springt hij in het Weerwater om zich definitief met haar te kunnen verenigen. Het verhaal is geschreven in Schlimazlniks bloemrijkere stijl, met name de erotische passages in het zwembad. Tot zijn verontwaardiging bereikte het slechts de 46e plaats en zagen juryleden het als een vunzige, puberale fantasie.

Wat ik heb gedaan in dit verhaal is een klassieke vorm van de zeemeermin terughalen: geen Disney-prinses, geen Lille Havfrue van Andersen, maar een symbool voor “de gevaarlijke frigide vrouw”. (…) Het punt is hier waarschijnlijk dat het een genrewedstrijd is, met een wat nonchalant geschreven verhaal waarin je geen diepgang verwacht tussen de erotiek, en dat dan blijkbaar ook niet gaat zoeken maar gaat klagen over een ontbrekende plot. Maar als je niet gaat zoeken, dan kun je het over het hoofd zien en moet je niet klagen dat het er niet in zit. Zo wordt ook de plot (jongen blijkt niet compatible met sexy zeemeermin tot hij in het Weerwater springt) over het hoofd gezien. Of erkennen dat het er rudimentair wel in zit, maar dat de manier waarop niet zo handig is, en dan die felbegeerde verbeterpunten daarop afstemmen. Want ja, als ik het in dit verhaal (met de onderliggende lagen en met de idee die ik voor ogen had) wil verbeteren, hoe doe ik dat dan? En dan liefst op een subtiele “show, don’t tell” manier, want ik heb weinig zin om overal toeters, bellen en zwaailichten toe te passen om naar die diepere lagen te verwijzen. Ook over het hoofd gezien is de migratie- en milieuproblematiek die in het verhaal zit. Sainte-Sarah heeft daar ook mee te maken, zijdelings. Maar ja, die rondborstige afleiding hè, tja. Trek Sagae 2016, een terugblik (23 mei 2017)

Algorhythm ‘n’ blues daarentegen scoorde hoog bij wedstrijden. Het verhaal gaat over de ontwikkeling van een algoritme dat foto’s en andere digitaal opgeslagen media langzaam laat vervagen vanuit het oogpunt van privacy. De ik-figuur reflecteert op het gebeuren maar kan zich steeds minder goed herinneren wat er nu echt gebeurd is, wat zijn/haar relatie is tot de dochter die het algoritme heeft uitgevonden, en of hij/zij überhaupt ooit een dochter had. Een vervagend fotobeeld van een zomeruitje op Texel is een leidmotief dat onderstreept hoe de verteller steeds minder grip op de realiteit krijgt. Daarnaast leidt het fotobeeld ook geleidelijk naar de ontknoping. Het verhaal kan gelezen worden als verbeeldingsliteratuur (bijvoorbeeld cyberpunk, sciencefiction of zelfs horror) maar ook als een allegorie op alzheimer.

Schlimazlnik bleef, ondanks de hoge noteringen en de lofbetuigingen, opvallend neutraal over het verhaal. Anders dan Het waterparadijs, waaraan hij lang schaafde, schreef hij Algorhythm ‘n’ blues kort voor de deadline van Fantastels, vrij haastig en onderweg nog niet eens helemaal zeker over een aantal aspecten van het verhaal. Tijdens de publieksprijs-wedloop van Edge Zero in 2017 maakte hij er een trailer voor waarin hij het verhaal aanprijst als een thriller, iets wat het onmogelijk genoemd kan worden. Nergens zegt hij tevreden te zijn over het verhaal, terwijl hij dat bijvoorbeeld wel was met het qua thematiek en zorgvuldige constructie verwante Het lied van de pijn, ook uit 2016.

Pas in 2018 en 2020 deed hij pogingen om Algorhythm ‘n’ blues in een bredere literaire context te duiden. Hij gaf aan dat het verhaal dichtbij hem stond, maar richtte zich daarbij op de boodschap van het verhaal: dat je kunt zijn wie je bent en niet steeds wordt geassocieerd met wie je ooit was. De prestatie leek hem weinig te raken.

Terug naar overzicht

Lees ook Deel 1 – De verhaalwerelden, Deel 3 – De poëtica en Deel 4 – Conclusie, leessuggesties en verantwoording

 

© 2020 – 2022 Fantasize & Deborah van Duin