web analytics
maandag, mei 16

Fantasize-schrijfwedstrijd – shortlist: Addergebroed – Irene Kengen

Addergebroed

Niet elke demonoloog is krankzinnig, maar het kan zeker geen kwaad. Het gezegde werd veelvuldig gebruikt in de wandelgangen van de toverschool, en dat was niet voor niets. Desondanks wist Eztia het zeker: zij wilde demonoloog worden.
Wanhopig probeerden leraren haar nog te overtuigen een carrière na te streven die beter bij haar karakter paste, zoals kruidengeneeskunde of geschiedenis. Het was slechts een kwestie van tijd tot een hellehond haar als tussendoortje zou verorberen, zo luidde de waarschuwing. Maar Eztia’s beslissing stond vast.
Tot haar eerste huisbezoek haar deed twijfelen.

Eztia probeerde haar tranen te bedwingen toen de boerderijdeur dichtsloeg. Meneer Bakker was boos naar buiten gestormd. Zijn woorden galmden nog na. We hebben een grootmeester nodig, geen kind van dertien. Mevrouw Bakker zat tegenover haar aan de eettafel, met ongekamd haar en een verontschuldigende blik in haar vermoeide ogen.
‘Vergeef mijn man, alsjeblieft. Hij is ook zo moe…’
‘Het spijt me dat ik niet meer voor u kon doen, mevrouw Bakker.’ Eztia liet haar schouders hangen. ‘Ik heb het hele Demonisch Compendium doorzocht, maar vermoeidheid en keelpijn zijn te vage symptomen. Het kan van alles zijn.’
Mevrouw Bakker glimlachte droevig, een blik die verraadde dat ze de hoop allang had opgegeven. In de deuropening naar de keuken verscheen een kind van een jaar of zes, met een dampende kom soep in haar handen. Haar jurk zaten onder de vlekken en haar stroblonde haar was een grote klit. Om haar pols zat een stuk touw vastgeknoopt dat tot aan de vloer reikte, met aan het einde een speelgoedhond.
‘Nellie, schat, je hoeft niet verlegen te zijn,’ zei mevrouw Bakker met dezelfde droevige glimlach. Nellie liep de eetkamer binnen en zette de kom voor Eztia op tafel, zonder ook maar een keer weg te kijken van Eztia’s grote bos kroeshaar. Ze was eraan gewend dat deze noordelijke kinderen naar haar krullende haar en donkere huid staarden. Ze toverde een warme glimlach tevoorschijn en boog zich naar het meisje toe. ‘Wat een leuke hond heb je daar. Hoe heet hij?’
Nellie raapte de hond op en hield hem met een grijns omhoog. Haar ogen sprankelden. ‘Bruno!’
De hond was weinig meer dan een vod. De kop was met hooi gevuld, met zwarte geknoopte draden als ogen en oren die twee keer zo groot waren als zijn lichaam.
‘Nadat onze hond vorige maand stierf, heb ik die knuffel voor Nellie gemaakt. Hij was zo’n brave hond. Volgde Nellie op de voet.’
Eztia schoot rechtop, maar voordat ze iets kon zeggen, sprak mevrouw Bakker al verder.
‘Ik weet wat je denkt. Hij werd gebeten door een adder, midden op zijn snuit. Ik zag het gebeuren. Er was niets demonisch aan.’
De hoop die haar borst had gevuld, verdween even snel als hij gekomen was. De dood van een geliefd huisdier zou een concreet symptoom zijn geweest om in het compendium op te zoeken.
Nellie klom bij haar moeder op schoot.
‘Ik weet dat vermoeidheid niet ernstig klinkt,’ zei mevrouw Bakker en ze kuste haar dochter op haar kruin. ‘Maar vroeger stond ik elke ochtend voor zonsopgang op om ontbijt voor Pieter en de kinderen te maken. Nu kan ik nauwelijks voor meer dan een paar uur per dag uit bed komen. Pieter zou het nooit toegeven, maar eergisteren viel hij tijdens het rooien in slaap. Ik denk niet dat we op deze manier de boerderij nog lang draaiende kunnen houden.’
‘Mama zegt dat we de boerderij moeten afbranden,’ zei Nellie, alsof ze een geheim verklapte.
‘Zeg dat nooit in het bijzijn van je vader, Nellie,’ zei mevrouw Bakker streng. Ze wendde zich tot Eztia. ‘Onze buren zeiden dat vuur de beste manier is om het land van demonen te zuiveren. Pieter had het over verkopen, maar wie zou deze bezeten grond willen hebben? Het hele dorp heeft het over ons. Bovendien…’ Tranen welden op in haar ogen. ‘Ik zal niet riskeren om een ander gezin dit aan te doen.’
Eztia staarde verslagen naar mevrouw Bakker en haar dochter. De buren hadden gelijk. Daar waar demonologen faalden, kon vuur succes verzekeren. Maar er moest toch een andere oplossing zijn? Ze wilde demonoloog worden om mensen te helpen, niet om boerderijen af te branden.
‘Eet je soep op, lieverd,’ zei mevrouw Bakker, terwijl ze haar ogen afveegde.
Eztia was de soep al vergeten. En honger had ze ook niet. Maar ze kon moeilijk weigeren.
‘Ome Jan in de pan!’ giechelde Nellie, net toen Eztia de lepel in haar mond stopte.
Verschrikt keek Eztia op. Mevrouw Bakker barstte zowaar in lachen uit. ‘Ome Jan was onze haan.’
‘Ah,’ zei Eztia. ‘Hij smaakt in ieder geval goed.’ Ze nam nog een hap.
‘Hij bleef maar proberen de eieren van onze kippen uit te broeden.’
Eztia verslikte zich. ‘Hanen zitten meestal niet op eieren, toch?’ vroeg ze toen ze was uitgehoest. Eztia wist weinig van boerderijdieren, maar dat op eieren klimmen voor hanen abnormaal gedrag was, dát wist zelfs zij nog wel.
Mevrouw Bakker fronste haar wenkbrauwen. ‘Nou, nee. Maar het was gewoon een seniele oude haan. Je denkt toch niet…’
‘Een haan die op eieren zit. Dat moet een symptoom zijn!’ Ze begon door de kamer te ijsberen en probeerde zich de ontelbare bladzijden van het compendium voor de geest te halen. Het gekrijs van een baby in de verte verbrak haar concentratie.
‘Als die koter van de buren nou een keer zou ophouden met huilen,’ zei mevrouw Bakker verontschuldigend.
Baby’s en hanen. Daar stond Eztia iets van bij. ‘Van huilende baby’s word je moe.’ Een ezelsbruggetje dat ze bedacht had voor het examen. ‘Als je vermoeid bent, haat je de kraaiende haan in de ochtend. Dat is het!’
Mevrouw Bakker keek haar aan alsof ze krankzinnig was geworden.
‘Jullie vermoeidheid!’ riep Eztia uit. ‘Bij een haan horen kippen. Kippen leggen eieren… Kippen leggen eieren…’ herhaalde ze, in de hoop dat ze zich de volgende zin zou herinneren.
Nellie staarde haar aan, met haar lappenhond tegen zich aangedrukt. De hond! De hond was overleden aan een slangenbeet.
‘Kippen leggen eieren, slangen leggen eieren. Als een haan een slangenei uitbroedt, dan groeit uit het embryo een kolloko!’
Eztia grijnsde van oor tot oor, maar zag toen de schrik op het gezicht van mevrouw Bakker. Snel onderdrukte ze de grijns en vervolgde op rustigere toon: ‘Een kolloko wordt in onze wereld geboren wanneer een haan een slangenei uitbroedt. Het is zoiets als een demonische muis, maar dan met grote zwarte ogen, zes poten en een lange staart met een bol aan het eind, die hij gebruikt om –’ Eztia slikte haar laatste woorden in.
‘Gebruikt om wat?’ Mevrouw Bakker zag bleek.
‘Hij gebruikt de bol om, eh…’ Eztia aarzelde. ‘… om zich te voeden met het speeksel van slapende mensen.’
Afschuw verscheen op het gezicht van mevrouw Bakker. ‘En daardoor zijn we zo moe?’
Eztia knikte lichtjes. ‘Ik beloof dat ik u zal helpen, mevrouw Bakker.’ Het was een vreemde gewaarwording dat een volwassene alle hoop op haar vestigde.

© Marcel van der Sleen

Resoluut pakte ze de lepel, viste een stuk haan uit de soep en sloot haar vingers om het warme, doorweekte vlees.
Toen een mist van schaduwen rond Eztia’s hand verscheen, werden Nellies ogen groot van opwinding. Op het platteland was magie een zeldzaam fenomeen. De schaduwen vertelden haar alles wat ze moest weten. ‘Er zitten sporen van demonische energie in uw haan, mevrouw Bakker. Ze zullen me naar de kolloko leiden.’
De schaduwen rond haar hand dreven door de voordeur, verdwenen om de hoek van het huis en verzamelden zich boven een gat in de grond vlak tegen de muur. Met een handgebaar stuurde Eztia de donkere mist het gat in om de demon uit te roken. Mevrouw Bakker keek vanaf een afstandje angstig toe. Achter haar rok had Nellie zich verstopt.
Diep onder het huis galmde het geluid van een huilende baby, de kenmerkende klank van de kolloko. Het werd luider. Met bonzend hart liet Eztia een schaduwbal in haar hand verschijnen. Duelleren was nooit haar sterkste vak geweest, maar ze kon deze familie niet teleurstellen. De kolloko sprong met een oorverdovende schreeuw uit het hol en klom direct tegen de buitenmuur op. Hij had het formaat van een kleine kat, groter – en trager – dan Eztia zich had voorgesteld. Met nieuwe moed schoot ze haar schaduwbal af en de kolloko plofte op de grond.
Stilte viel over de boerderij. Voorzichtig liep Eztia op de bewegingloze demon af. Nieuwe schaduwen wervelden rond haar hand. Ze zag dat de bol aan het uiteinde van zijn staart nog nat was, net voordat het levenloze lichaam verdampte in een rookwolk. De kolloko was teruggekeerd naar het Andere Rijk.
Mevrouw Bakker barstte in tranen uit, van vreugde dit keer. ‘Het is voorbij! Het is eindelijk voorbij!’
Eztia kon een schaterlach niet onderdrukken.
‘Dit gaan we vieren!’ riep mevrouw Bakker. Ze droogde haar tranen. ‘We hebben nog een fles gerstebier staan.’
Ze liepen net door de voordeur toen onder het huis een gebulder van jammerende baby’s losbarstte.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Irene Kengen & Marcel van der Sleen