Deelnemen aan het grote gesprek – column Johan Klein Haneveld

pexels-photo-3695297_suzy-hazelwood

Door Johan Klein Haneveld

Een paar jaar geleden keek ik samen met mijn vrouw naar de slechtste film die ik ooit heb gezien. ‘Angel’ was in 2007 uitgebracht en geregisseerd door François Ozon. De film zag er prachtig uit, met mooie kostuums, en met de acteurs was ook niets mis, met onder andere Sam Neill, Michael Fassbender en Charlotte Rampling. Toch halen mijn vrouw en ik deze film nog wel eens aan als we elkaar willen doen huiveren.

Het verhaal is namelijk onrealistisch. De hoofdpersoon, Angel Deverell, wordt uit het niets ontdekt als schrijver, haar eerste boek is een daverend succes en van de opbrengsten kan ze zelfs het kasteel kopen waar ze als kind verlangend voor het hek naar stond te kijken. Nu blijkt de film volgens de regisseur te zijn gebaseerd op het leven van Marie Corelli, een Victoriaanse schrijfster die in haar tijd enorm populair was. Dat zal ik dus laten schieten. Maar waar ik me echt over verbaasde was dat Angel in het begin van de film gevraagd wordt welke boeken ze zelf graag leest. Daarop antwoordt ze dat ze helemaal niet van lezen houdt.

De stoom kwam bij die scène bijkans uit mijn oren. Een auteur die niet van lezen houdt? Dat is net zo iets als een regisseur die uit principe nooit naar films kijkt, een schilder die schilderijen eigenlijk maar niks vindt of een natuurkundige die weigert op de hoogte te blijven van zijn of haar eigen vakgebied. Belachelijk vond ik het en ik dacht dat elke schrijver dat wel met mij eens zou zijn. Maar vreemd genoeg blijkt dit in elk geval in het fantasy- en sciencefictiongenre wel vaker voor te komen.

Lezen en schrijven

Ik hoor van fantasy- en sciencefictionschrijvers wel eens dat ze eigenlijk niet zoveel hebben met boeken, of dat ze geen fantasyboeken willen lezen omdat ze bang zijn anders hun originaliteit kwijt te raken. ‘Schrijvers zijn geen lezers,’ zeiden mensen in mijn omgeving over fantasyschrijvers. Een bezoeker van een boekpresentatie beschreef zijn verbazing over het feit dat de auteur in kwestie nog nooit gehoord had van Jack Vance of Ursula LeGuin. Nu kun je onmogelijk alle boeken in het genre gelezen hebben, maar zelfs nog nooit hun namen te zijn tegengekomen? Dat is ook in mijn optiek bijzonder.

Het gaat mij er zeker niet om mensen buiten het genre te sluiten. Er is geen toelatingsexamen. Houd je niet van fantasyboeken of boeken in het algemeen en heb je desondanks een boek uitgebracht, dan blijft dat een prestatie om trots op te zijn. Dat mag je ook zeker van de daken schreeuwen. Toch lijkt het mij vreemd dat je zo lang werkt aan een product waarvan je zelf ten diepste niet houdt. Een bakker die geen taart lust vertrouw ik niet echt om eerlijk te zijn. Bij een kapper die niets geeft om zijn of haar kapsel ga ik liever niet langs.

Verder leer je alleen door veel te lezen hoe een boek ‘werkt’ – op het detailniveau van woordgebruik en goed lopende zinnen en meer van bovenaf gezien hoe je spanning opbouwt en thema’s helder uitwerkt. Je leert de begrenzingen en mogelijkheden van genres kennen, leert de clichés te onderscheiden, maar krijgt ook ideeën door op andere verhalen te reageren. Niet voor niets staat bij elke webpagina met schrijfadvies met stip op nummer één: schrijf veel. En op twee: lees veel. Stephen King adviseert beginnende auteurs om minstens evenveel te lezen als te schrijven.

Ik ben in buitenlandse bladen als SFX of op websites als tor.com nog nooit een auteur tegengekomen die zei niet te lezen. De geïnterviewde schrijvers kunnen altijd aangeven door wie ze geïnspireerd zijn, welke boeken ze aanbevelen en wat ze in de toekomst nog willen lezen. De artikelen op tor.com worden zelfs veelal door de auteurs zelf geschreven. Maar in het Nederlandse genrewereldje lijkt het zelfs taboe erop te wijzen hoe belangrijk het is als schrijver veel te lezen, of je eigen genre zelfs maar een beetje te kennen.

Het grote gesprek

Schrijvers hoeven geen critici te worden of zich op academisch niveau bezig te houden met literatuurwetenschap, al mag dat natuurlijk wel. Maar ik denk dat je als schrijver ervan bewust moet zijn dat je deelneemt aan een ‘discours’: het spreken van een bepaalde groep op een bepaald niveau (bijvoorbeeld politiek of wetenschap, maar ook de literatuur) waarmee de betreffende groep de werkelijkheid structureert en daarmee impliciet vastlegt wat zij voor moraliteit en waarheid houdt. Dit is de definitie die Wikipedia geeft van het begrip.

Je kunt het zo zien; er is binnen de literatuur een geanimeerd gesprek gaande. Een schrijver poneert bijvoorbeeld iets. Andere schrijvers reageren daarop: ze gaan in dezelfde lijn verder, of zetten zich ertegen af. Recensenten proberen voor derden aan te geven wat een schrijver wil zeggen en op wie hij of zij eigenlijk reageert. Literatuurwetenschappers proberen vervolgens het gesprek over een langere periode te volgen; zijn er over de tijd ontwikkelingen zichtbaar? Komen thema’s uit eerdere periodes terug? Welke werken zijn representatief voor een bepaalde mening?

Op de allergrootste schaal wordt dit gesprek aangeduid als ‘The Great Conversation’ (oftewel: het grote gesprek), het voortgaande proces van schrijvers en denkers die refereren aan het werk van hun voorgangers, daarop voortborduren en het aanscherpen. Dit proces wordt volgens Wikipedia gekarakteriseerd door de manier waarop schrijvers in de Westerse canon vergelijkingen en verwijzingen naar het werk van eerdere auteurs in hun werk opnemen. We zeggen wel eens dat we staan op de schouders van reuzen – dat is wat hiermee bedoeld wordt.

Aan het idee van ‘The Great Conversation’ kleven ook wat onaangename aspecten, zoals de bijna vanzelfsprekende verbinding met de westerse beschaving. Ik denk daarom dat het goed is ook andere ‘gesprekken’ uit andere culturen in het grote gesprek op te nemen en open te staan voor bijdragen van zachter sprekende stemmen in het geheel, bijvoorbeeld van minderheidsgroeperingen. Maar toch: een schrijver of denker die niet houdt van boeken en daarom niet leest, stelt zichzelf buiten de dialoog. Hij of zij reageert niet op iets wat er eerder was, zegt misschien iets dat al tientallen malen voorbij is gekomen, en blijkt later niet op de hoogte van hoe op zijn of haar werk wordt geantwoord. Als iemand hard genoeg schreeuwt lukt het hem of haar misschien de conversatie binnen te dringen, maar of diegene langere tijd aan het gesprek zal deelnemen is de vraag.

Een gesprek over fantasy en SF

Op iets kleinere schaal is er ook een ‘Great Conversation’ binnen het SF- en fantasygenre: schrijvers die op elkaar reageren, werken die aan elkaar refereren, thema’s die worden uitgewerkt en vervolgens uit een nieuw oogpunt worden bekeken. Neil Gaiman schrijft bijvoorbeeld in The View from the Cheap Seats dat veel van zijn favoriete auteurs ook ‘evangelisten’ waren, die in recensies en essays vol enthousiasme andere boeken en schrijvers aanbevolen. ‘Het idee dat schrijvers zelf van boeken hielden, soms zelfs door die boeken beïnvloed werden en zelf andere mensen de weg wezen naar die werken waar ze zo van genoten, kwam op mij heel logisch over. Literatuur vindt niet plaats in het luchtledige. Ze kan geen monoloog zijn. Literatuur moet een gesprek zijn en nieuwe mensen, nieuwe lezers, moeten ook weet krijgen van dat gesprek.’

Ik pleit er dus net als Gaiman voor dat we ons als lezers en als schrijvers meer bewust zijn dat we aan een ‘discours’ deelnemen, dat de werken die we lezen of schrijven deel uitmaken van een al decennia of eeuwen durend gesprek. We kunnen wat vaker recensies schrijven en boeken analyseren, en daarbij bewust kijken hoe ze aansluiten op eerder werk. Of essays/columns schrijven over thema’s en onderwerpen die spelen binnen de fantasy en sciencefiction. We kunnen ons verdiepen in onze voorgangers, bijvoorbeeld binnen Nederland: wie hebben bij ons de grondslag voor het genre gelegd en hoe werken hun thema’s nu nog steeds door?

Dan kunnen we uiteindelijk boeken schrijven die aan het gesprek bijdragen, die bijvoorbeeld gelaagd zijn omdat ze op eerder werk aansluiten, die ergens op reageren en in dialoog staan met andere werken. Niet iedereen kan dit, niet iedereen moet dit, maar denk er eens over na, wie weet op welke ideeën je daardoor kunt komen! Veel leesplezier!

© 2020-2020 Johan Klein Haneveld & Fantasize