De kleuren van Dalik (deel 1, hoofdstuk 2)

Benne van der Velde

2

De mannen verkeerden in een fantastische stemming. Daar was dan ook alle reden toe. De wagen lag vol met waardevolle oorlogsbuit, van met edelstenen ingelegde wapens tot complete harnassen en er was niemand geweest die hen er om had willen bevechten. Dalik zat voor op de kar, naast de menner van het tweespan ossen die de kar door de nauwe vallei terug naar hun dorp trok en glom van trots. Met wat ze verdienden door deze buit in kleine delen weer door te verkopen, kwamen ze de winter, die nu snel naderde, ruimschoots door. Er werden liederen aangeheven en hij kreeg geregeld complimenten van de rest van de mannen. Ze waren allemaal uitgeput, maar op dat moment, in die avondschemering, leek het leven hen even zo slecht nog niet.

Dalik’s vader zat op één van de buitgemaakte paarden en reed al zingend naast de kar voort, zo mogelijk tot trotser op zijn zoon dan deze zelf al was. Zijn grijze haar en vele rimpels zagen er in dit late licht zachter uit, dacht Dalik, minder hard en doorgroefd. Daarmee leek de man zelf ook minder hard. Hij wist wel dat dit door de belichting kwam en de mooie buit, maar genieten deed hij er niet minder om. Het mooiste van alles was niet die overmatige buit of het zachte licht, of zélfs zijn tevreden vader. Nee, het mooiste dat deze dag had opgeleverd, zat diep in zijn zakken weggestopt waar hij het met één hand bijna angstvallig vasthield. Waarom was hem zelf niet helemaal duidelijk, maar dat het iets bijzonders was, was hem toen hij het vond meteen opgevallen. Iets heel bijzonders, al zou je dat zo één twee drie niet zeggen.

Het was een kleine, ronde steen. Een blauwe, die deel uit had gemaakt van de versieringen van een prachtig groot slagzwaard, dat met kracht in een toen nog ademende ridder moest zijn gestoten en wel door een uitzonderlijk sterke andere ridder, want ze kregen het zwaard er met drie man niet uit getrokken. Het was door de doorstoken ridder en niet te vergeten zijn gouden harnas, een heel eind de harde grond daaronder in geramd. Met zo’n kracht zelfs dat ze het jammer genoeg moesten laten waar Dalik het in eerste instantie gevonden had. Waar hij, voordat hij de anderen riep, in een opwelling de kleine steen had uitgewrikt. Omdat hij het niet laten kon en wilde, ondanks de strenge regels die de Dleks omtrent hun werk onderling hadden opgesteld. Wat hij gedaan had was uit den boze en er stond een bijzonder strenge, pijnlijke straf op. Maar hij zou er voor zorgen dat er niemand achter zou komen, zo moeilijk kon dat toch niet zijn? Het was een kleine steen, die hij makkelijk verstoppen kon. Hij bevoelde zijn nieuwe schat voorzichtig. Er zaten geen scherpe randen aan en hij voelde heerlijk koel aan, bijna koud. Voor zover hij wist was het geen edelsteen. Wat het dan wel was wist hij niet, maar het kleinood was nu wel mooi van hem. Nee, de rest mocht er nooit achter komen! Hij stond ineens rechtop op de kar en merkte dat zijn lijf ervandoor wilde gaan, weg van de anderen, weg van de groep, die de steen vast van hem af wilden pakken en hij kon zich alleen met de grootste moeite bedwingen. Wat was dit voor magie? Moest hij dit niet melden? Nee, ze zouden hem voor gek verklaren en hem de steen dan alsnog ontnemen!  Magie bestond niet. Niet meer. De laatste magiërs waren al generaties geleden verdwenen en sindsdien waren er geen  kinderen meer geboren die de benodigde talenten voor het beoefenen van de oude kunsten nog aan de dag hadden gelegd. Ook dit was geen magie geweest. Eerder de vermoeidheid die hem parten speelde, ja, dat was het. De lange dag en de warmte en zijn nieuwe rol als Kleeck. Dalik maande zichzelf zo tot rust en deze rust kwam ook heel langzaam maar zeker terug. Toen hij zich weer min of meer onder controle had, in ieder geval uiterlijk, merkte hij iets anders op. De steen in zijn hand was niet koud meer, niet eens koel. Hij dacht heel even dat hij gek werd, maar de steen werd zelfs steeds warmer. Nog even en hij zou hem niet meer vast kunnen houden.

Er zoefde iets door de lucht. Dalik keek op, op zoek naar de blik van zijn vader, op zoek naar raad. Er zoefde nog iets. Zijn vader was abrupt opgehouden met zingen en keek niet naar hem, maar verbaasd naar beneden, naar zijn borst. Daar stak een zwarte pijl uit en een seconde later nog één. Er zoefden er nu meerdere door de lucht, die her en der hun doel troffen. Zijn vader keek hem nog één keer aan en zijn verbaasde blik verstarde. Toen viel hij van het paard. Om Dalik heen viel ook de rest van de groep Dleks neer. Zijn oom werd eveneens verschillende keren geraakt. Binnen een paar seconden was het voorbij. Alleen Dalik had de hinderlaag overleefd, zonder een enkele schram. Alles was zo snel gegaan dat het nog niet tot hem door was gedrongen. Zijn brein wilde deze nieuwe realiteit niet verwerken. Het bleef pijlen regenen, maar geen van deze raakten de jongeling, wat langzamerhand tot grote consternatie leidde uit de richting waar de pijlen vandaan kwamen. Een luid bevel klonk van de dichtbegroeide helling en de barrage stopte even abrupt als zij begonnen was. Uit het struikgewas kwam een grote man gestapt, in het bruin met groene gewaad van het regionale roversgilde, die hem langzaam naderde. Als Dalik zich bewust was geweest van zijn nijpende situatie en van zijn naderende vijand, had hij kunnen opmerken dat de voorzichtige tred verdacht veel van een angstig naderbij komen weg had. Maar Dalik was in shock; hij zat stil en keek zijn belager emotieloos aan. Dit aanzicht gaf de rover gaandeweg weer wat moed. Dit was geen toverij, dit was slecht mikken geweest. Hij begon hinnikend te lachen en zwaaide met zijn knuppel. Toen hij nog maar een paar passen van Dalik verwijderd was, bewoog de jongen dan toch.

Als in een trance haalde Dalik langzaam zijn gesloten hand uit zijn zak, stak hem in de richting van de bruut en opende deze. Een fel blauw licht knetterde van zijn vingertoppen en schoot in de richting van zijn belager. Dwars door hem heen. De rover, of wat er van hem over was, was dood voor hij de grond raakte. De rest van de overvallers maakten zich huilend van angst uit de voeten. Net zo onzichtbaar als zij de aanval hadden ingezet, maar vele malen luidruchtiger. Binnen de kortste keren was het weer stil, stiller dan daarvoor. Doodstil. Dalik zat nog steeds op de kar. Hij liet zijn arm weer zakken en langzaam kwam er weer wat leven in zijn ogen terug. Niet begrijpend keek hij om zich heen, toen verbaasd naar zijn hand waar de steen aan vast leek geplakt en vervolgens weer om zich heen. Toen de gebeurtenissen dan toch tot hem doordrongen brak hij en huilde voor het eerst in zijn leven, stilletjes en schokschouderend.

De nacht viel. Zoals nachten op donkere plekken kunnen vallen, viel ook deze bijna ongemerkt en snel. Een lange, slungelige schaduw kwam, omringd door een vreemde, blauwe gloed, met vermoeide, langzame passen over het pad naar het dorp aangelopen. De vrouwen en kinderen van het dorp hadden op de mannen gewacht en kwamen uit hun hutten gerend om de jonge Dlek alleen aan te treffen. Het liefst hadden ze hem ter plaatse verscheurd, als ze het gedurfd hadden. Maar de familie van Dalik was een belangrijke binnen de groep en ze wisten niet wat er precies was gebeurd, wat het verdriet en woede er niet minder op maakte. Dat Dalik niet meteen als zondebok geofferd werd kwam dus door die vreemde, onnatuurlijke gloed. De energie waaruit die gloed bestond evenmin, dat konden ze zo zien. Maar zijn verslagenheid en intense verdriet was wel zichtbaar en zijn lichamelijke vermoeidheid kreeg dan eindelijk de overhand. Hij stortte in, werd in bed gelegd en viel al snel in een diepe, droomloze slaap.

Je vindt hoofdstuk 1 van De Kleuren van Dalik hier

Je vindt hoofdstuk 3 van De Kleuren van Dalik hier

Deel 2 (hoofdstuk 3) volgt binnenkort.

Benne van der Velde (1974) schreef tot nu toe sci-fi en fantasy voor SFterra, The Flying Dutch, Fantastische Vertellingen en de Ganymedesbloemlezing jaargang 16. Samen met Hiekelien van den Herik schreef hij het ridderspektakelstuk ‘de gemaskerde ridder’ die door theater-/zwaardvechtgroep Ridderspoor o.a. in het Archeon, tijdens De Kasteeldagen en op een Elfia-fantasyfair werden opgevoerd. Twee ultra korte fantasyverhalen voor op fantasywereld.nl zijn in voorbereiding.

Benne publiceerde gedichtenbundels bij verschillende uitgeverijen en zijn verzen werden opgenomen in allerlei literaire tijdschriften en bloemlezingen. Dit jaar verschijnt zijn prozadebuut ‘Afghaan.’
Voor alle info: bennevandervelde.nl

 

Comments

comments

Redactie Fantasize

Redactie Fantasize

http://www.marcelchrist.com/ De kleuren van Dalik
Previous post

Vertellingen: De kleuren van Dalik - hoofdstuk 1 - Benne van der Velde

Spellenspektakel 2017 1
Next post

SPELLENSPEKTAKEL 2017 – Wondere werelden in Eindhoven - 11 en 12 november