web analytics
woensdag, februari 1

Interview met Frank Roger – deel 1

Door Isabelle Plomteux

Frank Roger (Gent, 1957) heeft inmiddels ongeveer 1300 publicaties op zijn naam staan, in meer dan vierenveertig talen. Verder was hij eregast op SF-conventies in Duitsland, België, Nederlands, Luxemburg, India en China. Kenners omschrijven zijn werk als een bonte mengeling van stijlen en genres: fantastiek, satire, surrealisme, sciencefiction en zwarte humor, alle in constante kruisbestuiving.
Daarnaast maakt hij ook collages en grafisch werk in een surrealistische en satirische sfeer. Hoog tijd vonden wij bij Fantasize voor een gesprek met deze diverse woordkunstenaar. Omwille van de lengte hebben we het interview in twee delen opgesplitst.
In het tweede deel, dat volgende week verschijnt, hebben we het over dat andere onderdeel van Franks kunstenaarschap: zijn collages en grafisch werk. Ook besteden we aandacht aan genreconventies, bespreken we de huidige staat van de Belgische fantastiek en geeft Frank schrijf- en publicatietips voor beginnende verhalenschrijvers. Aan het einde van dit tweede deel zal de lezer eveneens een link naar een uitgebreide bibliografie kunnen terugvinden.
Vandaag hebben we het met Frank over, hoe kan het ook anders, het schrijven en publiceren van zijn verhalen.

Frank Roger; eigen foto

Dag Frank, bedankt voor dit interview. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: wanneer ben je met schrijven begonnen?
Ik ben altijd al creatief bezig geweest. Als kind schreef ik al en maakte ik strips. De echte literaire ambities kwamen uiteraard pas later. Mijn eerste publicaties dateren van 1975.

Schreef je meteen in het fantastische genre?
Ja, maar je moet de term ‘fantastisch’ in ruime zin opvatten, dus niet enkel het pure traditionele genrewerk.

Je hebt er voor gekozen om onder pseudoniem te schrijven. Mag ik vragen waarom?
‘Frank Roger’ is niet echt een pseudoniem, maar een deel van mijn echte naam (Frank Roger Florimond De Cuyper). Mijn echte familienaam is in de meeste talen onuitspreekbaar en wordt vaak verkeerd gespeld, vandaar de keuze voor Frank Roger (ook die naam wordt overal anders uitgesproken, maar hij is tenminste uitspreekbaar; hij oogt ook mooier vind ik).

Bij mijn weten schrijf je vrijwel uitsluitend verhalen. Is dit altijd zo geweest?
Ik heb ooit wel langer werk geprobeerd, maar ik voel me beter op mijn gemak in het kortere werk. Ik lees ook liever verhalen dan romans.

Vanaf 1994 nam de publicatie van je verhalen overhand toe, ook in andere talen. Wat veranderde er toen?
Ik begon toen meer contacten te krijgen, wat tot meer kansen leidde. Ik merkte ook dat mijn werk in het buitenland aanvaard werd, en heb daarop ingezet. Na enkele publicaties in het Frans, het Engels en het Duits kreeg ik een verhaal geplaatst in een Fins tijdschrift. Ik ben dan maar op dat élan doorgegaan.

Een uitgave in het Chinees

Inmiddels heb je een duizelingwekkend aantal verhalen gepubliceerd, in om en bij de vijftig talen. Hoe heb je dat aangepakt?
Ik had gemerkt dat genregenoten en stadsgenoten als Jean Ray en Eddy C. Bertin hoge ogen gooiden in het buitenland met werk in andere talen (respectievelijk Frans en Engels), en besloot ook een poging in die richting te wagen. Tot mijn aangename verrassing bleek er belangstelling te zijn voor mijn Engels- en Franstalige verhalen, dus ging ik daarmee door. Het aantal talen nam al snel toe, zowel grote talen (Chinees, Hindi) als piepkleine (Manx, Cornish). Mijn meest vertaalde verhaal is er eentje uit mijn beginperiode, De brandende vrouw, aanvankelijk verschenen in het Nederlands in 1976 in de SF-Gids van Eddy C. Bertin, en vervolgens ook in vele andere talen: Frans, Duits, Engels, Spaans, Portugees, Italiaans, Provençaals, Fries, Albanees, IJslands, Bretoens, Welsh, Grieks, Chinees, Bengaals, Esperanto en Volapük.

Waar komt je voorliefde voor het schrijven van verhalen vandaan? Wat bevalt je er zo aan?
Het korte verhaal is een aparte literaire vorm, naast de roman, het gedicht, enz. Een verhaal is niet zomaar een kort romannetje. De meeste auteurs zijn of goed in het verhaal, of in de roman, maar zelden in beide.

Worstel je nooit met het beperkte woordenaantal van een verhaal? Of vind je dit net fijn?
Ik hou van de beknopte aanpak. Soberheid. Geen woord te veel. Het kort verhaal biedt geen ruimte voor wijdlopigheid en eindeloze uitweidingen.

Je schrijfstijl wordt weleens omschreven als frankrogerisme. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van die stijlrichting? En zijn deze kenmerken geëvolueerd door de jaren heen?
Ik vond dat labels als sf, fantastiek, magisch realisme en dergelijke niet goed omschreven wat ik doe, en noemde mijn werk dan maar ‘frankrogerisme’, een persoonlijke mengeling van genres en stijlen. En wat is dat nu precies? Het lezen van mijn werk zal dat duidelijk maken. De term is humoristisch bedoeld, hoewel er een kern van waarheid in zit. (Ik inspireerde me bij de grandioze Engelse cartoonist Glen Baxter, die zijn werk omschrijft als Baxterism.)

Waarin verschillen een verhaal en een roman van elkaar volgens jou? En wat zijn de gelijkenissen?
Het ideale verhaal werkt één bepaald idee uit, en zo beknopt mogelijk. Romans en romanreeksen hebben meer aandacht voor het verhaal en kunnen zich allerlei wijdlopigheden en subplots permitteren. Zie het verschil tussen Tolkien en Borges: de twee uitersten van het spectrum.

Schrijf je in het Nederlands en vertaal je (of laat je vertalen) naderhand, of schrijf je rechtstreeks in een andere taal? Zo ja, in welke en hoe ervaar je dat? Vraagt het schrijven van een verhaal in een andere taal dan je moedertaal een andere benadering van het schrijven of niet?
Ik schrijf vaak in het Engels en maak daarna een Nederlandse versie, een hervertelling eerder dan een vertaling. Soms werk ik eerst in het Nederlands en maak dan een Engelse versie, maar dat geeft minder mooie resultaten. Ik maakte ook een aantal Franse versies van sommige verhalen. Schrijven in een vreemde taal (als je die voldoende beheerst) heeft een bijzondere charme.

Tussen al je verhalen heb ik toch twee romans gevonden, maar die zijn blijkbaar alleen in het Engels verschenen? O, wacht, in het Nederlands is Bonobo Sapiens ook verschenen, zij het later en als een novelle bij Stichting Fantastische Vertellingen. Is dit misschien een kortere versie? En de andere roman, Eyecatcher, is alleen in het Engels verschenen?
Bonobo Sapiens bestaat in twee versies; Eyecatcher vond ik minder geslaagd en ik maakte er nooit een Nederlandse versie van. Die Engelse uitgaven waren e-books die maar heel kort verkrijgbaar waren en nauwelijks verkochten.

Zijn er terugkerende thema’s in je verhalen? Zijn deze in de loop van je schrijfcarrière geëvolueerd? Hoe dan?
Ik probeer mijn verhalen gevarieerd te houden, maar een vaak terugkerend element is satire en een flinke dosis Belgisch surrealisme. Daarmee voel ik me nauwer verbonden dan met traditionele sf en fantasy. Ik voel me eerder thuis bij René Magritte en Marcel Mariën dan bij Asimov en Tolkien.

Schrijf je trouwens ook realistische verhalen? Of bezitten ze allemaal een fantastisch snuifje?
Niet al mijn verhalen zijn fantastisch. De realistische zijn doorgaans humoristisch (en ze verschijnen in gewone literaire tijdschriften, zoals Ballustrada).

Hangen bepaalde verhalen soms ook samen met anderen? Hebben ze bijvoorbeeld het zelfde hoofdpersonage of spelen ze zich af in dezelfde omgeving?
De meeste verhalen staan los van elkaar. Ik hou niet van ‘reeksen’.

Heb je favorieten tussen je verhalen zitten? Welke en waarom?
Ik heb uiteraard mijn favorieten, maar dat is zuiver persoonlijk, het zijn niet noodzakelijk mijn ‘beste’ verhalen. Ik kan onmogelijk een lijstje opstellen, maar vermeld hier toch graag Het zand dat eeuwen bedekte.

Een verhalenbundel van Frank Roger

Als je zoveel korte verhalen schrijft, lees je er dan ook veel? Welke auteurs lees je graag?
Favoriete kortverhalenauteurs zijn Philip K. Dick, J.G. Ballard en Jorge Luis Borges, maar verder waardeer ik ook Ray Bradbury, Robert Silverberg, R.A. Lafferty, en auteurs die echt hun eigen ding doen, zoals Barry N. Malzberg (in de sf) en de ten onrechte vergeten Thomas Burnett Swann (in de fantasy).

Je hebt ook verhalen uitgebracht in zogenaamde ‘kunsttalen’: Esperanto, Volapük, Ido en Glosa. Hoe gaat dit in zijn werk? En voelt zo’n verhaal voor jou anders dan een verhaal in een landstaal?
Voor mij zijn dat vertalingen zoals andere. Ik kan trouwens geen van die talen lezen (hoewel het Ido relatief begrijpelijk is voor wie die taal niet studeerde). Een medewerker van het tijdschrift waarin mijn verhaal verschijnt, vertaalt het in de desbetreffende taal.

Kan je wat meer vertellen over je schrijfproces? Werk je bijvoorbeeld op vaste dagen/uren? Ben je een plotter of net niet?
Ik begin altijd met handgeschreven notities. Het verhaal uitwerken doe ik pas als ik een titel heb, een openingszin of -paragraaf, een goed overzicht over het verloop van het verhaal en een ontknoping. Details worden gaandeweg ingevuld, maar improviseren doe ik zelden of nooit. Ik werk bij voorkeur ’s avonds laat, tot middernacht.

Beslis je van tevoren hoeveel woorden je verhaal (ongeveer) mag tellen, of pas je dat cijfer gaandeweg aan?
Ieder verhaal heeft zijn natuurlijke lengte, dat kan 500, 5000 of 50.000 woorden zijn. Ik werk eraan tot het af is.

Wat is voor jou de waarde van een verhaal? Waarom schrijf je?
Het schrijven is een uitlaatklep, je kunt zowel positieve als negatieve gevoelens erin verwerken, zowel je hoop als je angsten. Het is ook een soort zingeving, en het is ‘life-enhancing’ zoals ze in het Engels zeggen.

Tot slot van dit eerste deel: je bent afgestudeerd in de Germaanse filologie met een scriptie over Philip K. Dick. Waarom koos je voor dit onderwerp?
Dick was toen al mijn favoriete auteur. Ik kreeg de kans om mijn scriptie te wijden aan het maatschappijbeeld in zijn romans, een kans die ik met beide handen aangreep.

Volgende week verschijnt deel 2 van dit interview.

 

© 2020 – 2023 Fantasize & Isabelle Plomteux

You cannot copy content of this page