web analytics
dinsdag, februari 27

Interview: Jorrit de Klerk – 1e plaats Harland Awards editie 2022

Door Isabelle Plomteux

Op zaterdag 25 februari 2023 won sciencefictionauteur Jorrit de Klerk met zijn verhaal Het meisje van de duizend onderdelen de Harland Awards, de grootste en langstlopende wedstrijd voor Nederlandstalige fantastische verhalen.

Jorrit de Klerk met de Harland Awards-prijs in handen, eigen foto

Dag Jorrit. Van harte gefeliciteerd met je eerste plaats. Kan je jezelf even voorstellen? Wie is Jorrit de Klerk?
Bedankt voor de felicitaties! Wie ben ik? Ja, dát is een grote vraag. Om gemakkelijk te beginnen: ik woon bijna mijn hele leven al in het mooie Friese Harlingen, dat mensen misschien kennen van de veerbootdiensten naar Terschelling en Vlieland of als de geboortestad van de bekende literaire schrijver Simon Vestdijk. Ik ben getrouwd en vader van twee zoons. In het dagelijks leven ben ik werkzaam als ZZP’er in de ICT en ondersteun organisaties, voornamelijk in de zorg, met hun automatisering. Daarnaast heb ik natuurlijk mijn creatieve “baan” waarbij ik mij bezighoudt met schrijven, vooral proza maar de laatste jaren ook een beetje op het gebied van scenario voor korte films en zelfs een heus stripboek.

Sinds wanneer schrijf je?
Het allereerste wat ik mij herinner, was dat de juf op de basisschool op de laatste dag voor de Kerstvakantie geen idee meer had wat ze nog kon doen om ons rustig te houden, en daarom opperde dat we een opstel moesten schrijven. Dat was de eerste maal dat ik ontdekte hoe leuk het was om verhaaltjes te verzinnen én op te schrijven!
Vanaf toen schreef ik nog meer verhalen. Voor het einde van de basisschool bijvoorbeeld al een heel boek over een avontuur tijdens de Dakar-rally, helemaal uitgetypt op de oude typemachine van mijn moeder. Daarna nog een lang verhaal over een ballonvaart met mijn vriendjes en zelfs de eerste versie voor het eindtoneelstuk van onze groep 8 (die helaas door de nogal grote eisen qua decor, namelijk een heel piratenschip, uiteindelijk tot onze grote teleurstelling niet-uitvoerbaar bleek).
Op de middelbare school belandde ik al snel bij de schoolkrant, schreef een schoolmusical (en acteerde daarin) en produceerde een aantal zwaarmoedige pubergedichten waarmee ik zelfs mijn allereerste (en enige) poëzieprijs won. Daarna verwachtte iedereen dat ik wel richting toneelschool of de school van journalistiek zou gaan, maar uiteindelijk koos ik (om redenen waar ik jullie niet mee zal vervelen) voor een hele praktische studie.

Qua schrijven dacht ik rond mijn twintigste dat in Nederland enkel een carrière als literair schrijver mogelijk zou zijn, iets wat ik jammer vond omdat ik een groot sciencefictionfan was (en ben) maar ik eigenlijk geen (tot nauwelijks) Nederlandse namen zag als het om dat genre ging (enkel Ad Visser had iets gedaan en misschien dat ik Taïs Teng en Felix Thijssen wel één keer voorbij heb zien komen). Ik voelde na mijn middelbare schooltijd mijzelf op een kruispunt staan. In die tijd was er nog geen internet (OMG, hoe oud ben ik?!) dus ik had ook geen idee hoe schrijven eigenlijk werkte. En toen ik ook nog eens Arnon Grunberg op televisie zag spreken, besefte ik dat zo’n literair niveau voor mij niet bereikbaar was. Simpelweg zag ik dus geen toekomst voor mijzelf als schrijver.
Toen volgde drukke jaren met werken, trouwen en kinderen krijgen. Ik had met mijzelf afgesproken, dat ik rond mijn veertigste zou bepalen of ik nog ooit iets met mijn creatieve impulsen zou doen. Ik heb daarin zoveel discipline weten op te brengen (tot mijn eigen verbazing), dat ik op 1 januari van het jaar waarin ik 40 werd als Nieuwjaarsvoornemen weer begon met schrijven. Kort door de bocht maakte ik met mijzelf de afspraak om elke dag 1.000 woorden te schrijven. Dat werd mijn allereerste schrijfregel. Write your friggin’ thousand.
En in diezelfde week zocht ik op internet naar Science+Fiction+Nederland en ontdekte tot mijn ontsteltenis dat er blijkbaar meerdere mensen waren in ons landje (en België) die zich óók bezighielden met SF. Daarom durfde ik het aan om eindelijk in mijn “eigen” genre te schrijven. Goede zichtbaarheid van ons Nederlandstalige fantastische genre is daarom van groot belang!
De afgelopen jaren heb ik gestaag doorgewerkt en veel geleerd over verhalen vertellen.

Je scoorde al eerder hoog in een grote verhalenwedstrijd. Bij de Zilveren Strop 2021 (verhalenwedstrijd voor spannende verhalen, red.) behaalde je de tweede plaats met Dodelijke opname. Zat er in dat bijna-winnende verhaal ook een fantastisch element?
Nee.
Dodelijke opname had opzettelijk geen fantastisch element, omdat ik van mening was dat de Zilveren Strop niet de plek was voor zoiets. Het is het verhaal van een jonge vrouw die oude verlaten en vervallen gebouwen bezoekt, een urbexer. Ze komt terecht in een onverwachte, levensbedreigende situatie. Het grijpt wel terug naar de ‘technieken’ van bijvoorbeeld Stephen King. In het verhaal gaan geruchten dat het spookt in het gebouw dat ze onderzoekt. Door in een heel nauw derdepersoonsperspectief te gaan zitten, wilde ik goed die irreële angst en spanning bij de lezer invoelbaar maken. Wat blijkbaar lukte. (Hoewel sommige juryleden het gevoel hadden dat het écht spookte in mijn verhaal, dus het ‘fantastische genre’ sliep toch een beetje teveel het verhaal in.)

Terug naar de Harland Awards. Wanneer deed je voor het eerst mee aan de schrijfwedstrijd?
De Paul Harland Prijs was de eerste wedstrijd die ik ontdekte na mijn schrijversreboot in 2014. Ik besloot met twee verhalen dat jaar mee te doen. Eén verhaal werd gedeeld allerlaatste op de 177e plek, maar de ander bereikte nét niet de shortlist op plek 30 en kreeg zeer positief commentaar. Zeker Paul van Leeuwenkamp gaf in het juryrapport hele goede tips en bruikbare kritiek dat mij echt bemoedigde verder te gaan op het ingeslagen pad.
De jaren daarna deed ik mee, uitgezonderd natuurlijk de jaren dat ikzelf betrokken was bij de Harland Awards op technisch vlak.

Heb je tips voor auteurs die hoog willen eindigen?
Het is misschien heel cliché, maar doe alsjeblieft niet mee aan een verhalenwedstrijd met als enige doel “ik wil winnen”. Het “winnen” van een verhalenwedstrijd is afhankelijk van zoveel factoren. Wie zitten er dit jaar in de jury? Heb je het geluk in de voorselectie de juiste lezers te vinden? Sluiten voorselectie en eindjury voldoende op elkaar aan? Ben je het 1e of het 30e verhaal dat een jurylid leest die week?
Als iemand die zelf ook betrokken is geweest bij de organisatie van wedstrijden en daar zijn best voor heeft gedaan om dit zo objectief mogelijk te organiseren, weet ik heel goed dat het uiteindelijk een kwestie van smaak is.
En een beetje geluk.

Je moet meedoen aan wedstrijden om er van te leren. Als een verhaal hoog eindigt, en dan bedoel ik top-30, dan heb je (wellicht) iets wat voor een grotere groep lezers “werkt”. Dat is al, vind ik, een fantastisch resultaat.
Ook vind ik juryrapporten goud waard. Niet enkel voor de meningen over je eigen verhaal, maar ook over al die andere verhalen. Zo heb ik dankzij mijn deelnames en het goed doorpluizen van de juryrapporten veel geleerd. Bijvoorbeeld dat het perfecte verhaal niet bestaat; zelfs als je wint of heel hoog eindigt, is er altijd wel één jurylid dat heel enthousiast is, terwijl ook altijd een ander het ondanks alles nog vreselijk slecht vindt en zich afvraagt hoe het in godsnaam in een eindselectie kon komen.
Zie schrijfwedstrijden dus vooral als leermomenten.
En leer daarnaast zoveel mogelijk over plot, over schrijftechniek, leer schrappen en schrap dan nog meer, laat je verhalen altijd proeflezen, laat een olifantenhuid groeien tegen kritiek, etc.
En luister vooral niet naar anderen.

Zonder te veel te spoilen, waarover gaat jouw winnende verhaal? En waar is het te lezen?
Het speelt zich af in de verre toekomst, als de mensheid over de hele Melkweg is verspreid. Het verhaalt over een 16-jarige jongen op de planeet Rubicon, die verliefd wordt op een vrouwelijke androïde die onderdeel is van een rondreizend, interplanetair circus. Hij wil zich aansluiten bij het circus en haar achterna reizen, maar dan zal hij zijn verweduwde moeder alleen moeten achterlaten. In de basis is het dus een coming-of-age verhaal met veel symboliek.

Nu ik hier toch ben, wil ik Johan Klein Haneveld nog noemen die het verhaal proeflas en redactionele tips heeft gegeven. Dank Johan!
Je kan de epub met de top-5 van de Harland Awards 2022 op de site vinden.

Bij uitgeverij Quasis verscheen in 2019 een (korte) roman van jouw hand en dit in de sciencefictionreeks De zwijgende aarde: Revolte. Waar gaat het boek over en hoe past het in De zwijgende aarde-reeks?
Toen we dit project bedachten (zijnde Roderick Leeuwenhart, Mara van Ness, Anaïd Haen & Django Mathijsen, Johan Klein Haneveld en uitgever Jasper Polane), wilden we een reeks maken waarbij alle boeken los te lezen waren. We hebben enkele malen goed nagedacht over de setting, stijl en randvoorwaarden van ons gezamenlijke universum. Ondanks dat er geen officieel “deel 1” is van de reeks, werd ik wel het allereerste boek dat in de serie gepubliceerd zou worden. Oorspronkelijk zou Roderick de spits afbijten, maar de planning veranderde vanwege zijn komende roman Sterrenlichaam.

Toen was ik dus een degene die “de pilot” moest schrijven. En zo heb ik het ook opgevat. Ik vond dat zeer spannend, ook omdat ik een grote verantwoordelijkheid voelde omdat mijn verhaal voor velen de eerste kennismaking zou zijn met De zwijgende aarde. En ik wist dat al die andere verhalen van de andere auteurs ook nog in de wereld die ik “begon” moesten passen. Daar heb ik wel een paar maandjes stress over gehad en ik vond het een hele puzzel om een spannend maar ook “veilig” plot te verzinnen zodat alles goed op elkaar kon aansluiten.
Uiteindelijk liet ik mij letterlijk inspireren door de pilots van enkele pulpy SF-series van televisie, waarbij Babylon 5 maar vooral Killjoys een grote rol speelde. Ik ben bewust gaan spelen met clichés en vond het héél leuk om een échte bad guy te ontwikkelen. Dit werd Michelle Dijon, een hotemetoot binnen de VAHA, de ‘slechte’ Nederlandse VOC-achtige organisatie in het Zwijgende aarde-universum. Een echte evil overlord die ook nog eens op het eind haar slechte plannen gaat uitleggen. Een beetje over-the-top space opera dus.

Technisch wilde ik een boek maken dat de lezer uitnodigde om door te lezen; een soort ontspannen tussendoortje en prikkelend begin van De zwijgende aarde. Volgens mij is dat gelukt. En ooit hoop ik nog een wat serieuzer Zwijgende aarde-verhaal te maken, wellicht…

Daarbuiten schreef je bij mijn weten voornamelijk korte verhalen, die in diverse tijdschriften en verhalenbundels gepubliceerd zijn. Zijn het allemaal sciencefictionverhalen? Als dat zo is, is het dan gelijkaardige sciencefiction? Of beslaat je werk verschillende subgenres binnen de SF?
Nou, de allereerste schrijfwedstrijd die ik won (sinds mijn reboot als schrijver in 2014) was een literaire korte verhalenwedstrijd gerelateerd aan het Boekenbal-voor-lezers (dat een paar jaar bestond naast het Grote Boekenbal). Zeker in het begin experimenteerde ik op het literaire vlak.
Naast sciencefiction vind ik thrillers het meest interessant.
Qua sciencefiction ben ik heel breed georiënteerd. Qua lezen gaat mijn voorkeur uit naar de (post-)cyberpunk, near future of juist weer de very far future.
Als ik het schrijf, experimenteer ik graag met verschillende stromingen binnen de sciencefiction. Ik vond het schrijven van een echt goed uitgewerkt tijdreisverhaal bijvoorbeeld heel leuk. Ik ben nog steeds erg trots op mijn verhaal Vergeten getallen in een ver verleden waar ik maanden mee bezig geweest om de hele “gesloten tijdloop” correct te krijgen. Naar mijn idee is een goed doordacht tijdreisverhaal toch een soort rite de passage voor een sciencefictionschrijver.

Voor de nieuwste klimaatbundel van Johan Klein Haneveld die tijdens Fantasticon 2023 zal worden gepresenteerd, wilde ik bijvoorbeeld een positief getint sciencefictionverhaal schrijven in de stijl van Becky Chambers, dus een verhaal dat vol met (onverwachte) positieve wendingen zit. Dat vond ik een grote uitdaging!
Samengevat probeer ik dus steeds verschillende stijlen en sf-stromingen uit als ik schrijf, om mijzelf verder te ontwikkelen.

Voel je je het meest thuis in kort(ere) teksten? Of zoeken er nog romans van jou een uitgever?
Ik vind de puzzel van korte verhalen heel leuk; dus hoe krijg je een verhaal binnen een maximum aantal woorden over aan de lezer.
Dat wil niet zeggen dat ik niet bezig ben met langere teksten. Sinds 2014 heb ik drie jeugdboeken geschreven maar die zijn allemaal ongepubliceerd. De eerste begon ik mee in het jaar van mijn schrijversreboot en zag ik als een belangrijke vingeroefening. Van mijn ‘eerste’ boek heb ik veel geleerd, maar het verhaal leek net iets te veel op Divergent om er serieus iets mee te doen. De tweede ligt nog steeds op de plank en was weer een goede les voor Revolte dat ik 2018 schreef en in 2019 uitkwam. Ik geloof er in, dat je eerste een paar keer moet oefenen met langer werk en het niet meteen moet gaan opsturen naar uitgevers.

Vorig jaar heb ik mijn derde jeugdboek geschreven dat zich afspeelt in Friesland en een link heeft met een historische plek in onze provincie. Dat boek ligt nu bij een (Friese) uitgever en ik verwacht daar binnenkort na bijna twee jaar eindelijk over te kunnen vertellen wanneer dat wordt uitgebracht. Dat zal dan mijn échte kinderboekendebuut worden!

Daarnaast heb ik verschillende nieuwe ideeën voor een langer werk, waarbij ik nog twijfel tussen een meer rechttoe-rechtaan thriller of een iets literairder, persoonlijk werk maar wel met een ‘fantastisch’ tintje. Wat ik wel heb geleerd van het schrijven van al het langere werk, is dat ik er graag goed voorbereid inga. Als perfectionist ben ik vaak meer dan een jaar bezig met een roman, en ik weet dat er momenten zijn dat het best zwaar is om al die tienduizenden woorden onder controle te houden. Daarom wil ik wel starten met een goed idee en vooraf goed weten waar en waarom ik ergens heen wil.

Oh, en dan is daar ook nog dat ideetje voor een echte YA-SF-roman waar ik ook altijd nog enthousiast over ben…

Cover van De zwijgende aarde – Revolte

In een interview uit 2019 las ik dat je tien schrijfgeboden hebt (of alleszins toen had). In het betreffende interview noemde je er twee: schrijf elke dag en denk aan je camerabeweging. Misschien moet je dat laatste gebod even toelichten en verder wil ik nu natuurlijk weten wat je acht andere schrijfgeboden zijn. En als je er inmiddels een aantal overboord moest hebben gegooid, is dat ook altijd interessant.
In de afgelopen jaren krijg, lees en hoorde ik veel —heel veel— tips over het schrijverschap. Uiteindelijk distilleer je als schrijver díe tips eruit die naar je eigen idee het meest waardevol zijn.
Ondanks dat je mij vraagt over een van die andere regels, wil ik toch even ingaan op de allereerste regel die ik eerder al benoemde. Mijn hoofdregel. De enige regel die je van mij écht hoeft te onthouden als je iets uit dit interview wil onthouden. En dat is “write your friggin’ thousand”; oftewel schrijf elke dag een vast aantal woorden. Voor mij is dat 1.000 woorden dus, maar voor iemand anders kan dat 500 of 1.500 zijn. Maar zorg dat je dat aantal ELKE DAG haalt. Ik denk dat deze regel echt degene is waar je jezelf als schrijver mee kunt ontwikkelen. Dus schrijf altijd. Ook (nee juist!) als je geen enkele inspiratie voelt.

De “Think about your camera”-regel leerde ik ooit van Saskia van Oostenrijk en vind ik heel nuttig. Het heeft te maken met beschrijvingen van ruimtes en karakters.
Als voorbeeld: Ik kwam de kamer in. Daar stond ze. Haar haar was een gloeiende zonsondergang, net zo rood als de pumps aan haar voeten. Ze droeg een strak, zwart colbertje en een lange, antracieten broek. Ze tikte haar donkergelakte nagels hypnotiserend tegen elkaar.
Op zich lijkt er misschien niet zoveel mis mee, maar stel dat je dit aan de cameraman vraagt om te filmen. Dan gaan we van haar hoofd naar haar voeten, weer terug naar haar bovenlichaam, weer naar beneden om weer hoger te eindigen bij haar handen. Dat is best wel een duizelingwekkende beweging. Wordt je als kijker duizelig, dan is het ook als lezer niet prettig.
Ik probeer daarom dergelijke beschrijvingen te beschrijven als rustige, logische bewegingen. Dus: Ik kwam de kamer in. Daar stond ze. Haar haar was een gloeiende zonsondergang. Ze droeg een strak, zwart colbertje en een lange, antracieten broek. Haar pumps waren net zo bloedrood als haar kapsel. Mijn blik gleed omhoog, naar haar handen. Ze tikte haar donkergelakte nagels hypnotiserend tegen elkaar.

En de andere acht regels. Ja, die veranderen en ik ga ze — heel flauw — niet hier vertellen. Misschien dat ik er ooit nog eens een interessante blogpost over wil schrijven. Of iets anders.

Alsjeblieft, zeg je nu, Isabelle? Nou, nog één dan. Bij mijn hoofdpersonage vraag ik mij altijd af: “What’s your suppressed superpower?” Een hoofdpersoon moet (vind ik) namelijk een bijzondere eigenschap hebben die dit personage op het eind van het verhaal nodig heeft om het conflict op te lossen. Een figuurlijke superkracht dus. En maak dat interessant door het hoofdpesonage deze ‘superkracht’ juist bewust te laten onderdrukken. Bijvoorbeeld je held is heel nieuwsgierig maar weet dat ze daardoor altijd in de problemen komt. Maar in haar verhaal heeft ze die nieuwsgierigheid uiteindelijk nodig en vind ze het supergeheime voorwerp omdat ze JUIST zo nieuwsgierig is en kan ze daarmee de BIG BAD verslaan.

Je bent eveneens actief als scenarioschrijver las ik op je website. Bevatten je scenario’s ook ‘fantastische’ elementen? Indien ja, vormt dat een extra moeilijkheid bij het schrijven?
Ik denk dat in alles wat ik schrijf altijd is te merken dat ik een grote voorkeur heb voor het fantastische genre. Ik zoek altijd naar iets magisch, al is het soms maar iets heel kleins of iets dat personages voelen als fantastisch, zonder dat het verhaal écht fantasy of sciencefiction wordt.
Nou is film natuurlijk een kostbare aangelegenheid en het toevoegen van fantastische elementen maakt het er dan niet goedkoper op. Maar het toeval wil dat ik op dit moment ben betrokken bij een korte film waarin toch een fantastisch element weer een rol speelt. De regisseur had een best wel fantastisch uitgangspunt dus dat zijn we nu aan het uitwerken naar een scenario.

Beïnvloedt je scenarioschrijven je romanschrijven en omgekeerd?
Na het schrijven van Revolte in 2018 merkte ik dat ik in 2019 een andere uitdaging nodig had. Ik heb altijd heel veel van film gehouden en in mijn jongere jaren heb ik ook verschillende korte (amateur)films gemaakt en zelfs ooit nog eens een filmprijs gewonnen. Ik vind film een fantastisch vorm van verhalenvertellen, omdat je ALLES in de hand hebt en precies JOUW visie kan overbrengen op de ontvanger. In 2019 meldde ik mij daarom aan voor een flitsleertraject van een week tijdens het Noordelijk Film Festival en ik werd daardoor razend enthousiast. Met verschillende makers startte ik met enkele projecten, alleen toen gebeurde er iets met een virus of zo, waardoor de hele filmwereld voor twee jaar lang erg ingewikkeld werd. Uiteindelijk hebben we eind 2021 toch een paar korte, simpele dingen kunnen maken.
Maar ik moet zeggen dat de filmwereld wel heel ingewikkeld is. Dat komt voornamelijk door het vele geld dat nodig is om iets te realiseren. Tienduizend euro is niets. Dat schudt je niet uit je zak, zeker niet als ook van te voren al weet dat er nauwelijks tot geen geld zal worden terugverdiend. En het verkrijgen van subsidies voor film is heel moeilijk (lees: bijna onmogelijk), zeker als je geen officiële opleiding hebt gedaan. Maar ik help graag vanaf de zijlijn mee, want ik merk dat veel regisseurs vooral visueel zijn ingesteld en graag hulp zoeken bij hun scenario’s.

Ik denk dat er ook veel meer mogelijk is in de wisselwerking tussen bijvoorbeeld proza-schrijvers en scenario-schrijvers en regisseurs. Er zijn zeker overeenkomsten tussen het schrijven van proza en van scenario, maar in de ontwikkeling van projecten zijn er ook grote verschillen. Films werken bijna altijd vanuit logline naar synopsis naar treatment naar scenario, wat een lang traject is, terwijl bij proza we veel sneller beginnen met het ‘echte’ werk en het schrijven van het definitieve verhaal. Maar het goed doordenken van alle verhaalaspecten in de filmwereld spreekt mij zeker aan en dit heb ik ook meegenomen naar mijn ‘gewone’ schrijftechnieken.
En een hele belangrijke is, dat binnen de filmwereld zaken als urgentie en heel goed begrijpen WAAROM jij een bepaald verhaal ECHT wil vertellen, de boventoon voeren. Als jij niet volledig overtuigd bent van je eigen verhaal, zal je film nooit worden gemaakt. Deze urgentie vinden, ook in je proza-verhalen, vond ik heel verhelderend. Mijn Harland Awards-verhaal bestond al langer in een andere vorm, maar ik wist door wat ik in de filmwereld leerde hier veel meer urgentie aan toe te voegen.

In welke van de drie verhaalvormen (kort verhaal, roman en scenario) schrijf je het liefst? Of passen ze alle drie bij jou?
Ik denk dat ik het allerliefst het korte verhaal schrijf, maar ik vind het wel jammer dat uitgevers niet staan te springen als het gaat om bundels. Natuurlijk worden er binnen ons genre verschillende dingen gedaan, maar het grote publiek is moeilijk te bereiken. Ik zou het wel heel tof vinden om bijvoorbeeld een thrillerbundel te maken.

Scenario vind ik een fijn uitstapje en bevrijdend voelen tussen de andere projecten door. Een scenario is veel meer een fundament dan een eindproduct. In plaats van uitgebreid te beschrijven dat je hoofdpersonage aankomt op een beangstigend, duister kerkhof, terwijl een gure wind als onzichtbare klauwen aan zijn kleren trekt, schrijf je:

EXT. KERKHOF – NACHT
PIET stapt door het hek rondom het kerkhof. De wind giert om hem heen.

Dat is gewoon snel werken.
Het maken van een langer werk vind ik een flinke en uitdagende klus, maar de bevrediging als het uiteindelijk lukt is heel groot.

Zijn er terugkerende thema’s in je schrijven? Waarom liggen deze thema’s je nauw aan het hart? En keren ze in de drie vormen die je schrijft terug? Of heeft elke vorm zijn eigen thema’s?
Ha! Gaat niet elk verhaal uiteindelijk over liefde en dood?
Ik hou van verhalen over loners die moeten strijden tegen onmogelijke odds, high stakes, etc.
Ik weet niet zeker of ik écht vaste thema’s heb (ik heb ze vast wel, maar ik denk er eigenlijk nooit heel goed over na). Natuurlijk zie ik bepaalde zaken wel terugkeren. Ik denk dat je als schrijver altijd dingen uit het echte leven laat doorsijpelen in je verhalen. Daarom zul je bepaalde thema’s of onderwerpen zien terugkeren in mijn verhalen.
Het belangrijkste is dat je verhalen schrijft vanuit je hart en vanuit urgentie. WAAROM wil ik dit schrijven? Waarom MOET ik dit schrijven?

Waar sluit jouw werk naar jouw aanvoelen bij aan?
Ik heb in alle eerlijkheid geen flauw idee. Ik lees van vele auteurs in vele genres. Ik heb een paar schrijvers die ik bewonder om hun stijl en die van invloed zijn geweest op mijn plezier in het lezen.
Roald Dahl was in mijn jeugd belangrijk, alhoewel ik (ook op jonge leeftijd) zijn verhalen voor volwassenen met meer plezier las dan zijn kinderboeken.
William Gibson met Neuromancer (Zenumagiër) was het eerste boek waar ik helemaal door werd omvergeblazen. Nog steeds vind ik Gibsons stijl heel bijzonder.
Stephen King bewonder ik om zijn gemak waarmee hij zijn verhalen verteld.
Daarmee heb ik denk ik de schrijvers benoemd die mij hebben geleerd waar het geschreven woord toe in staat was, maar ik kan vele schrijvers en boeken noemen die ik fantastisch vind.

Daarmee samenhangend: heb je favoriete auteurs of scenarioschrijvers? Voorbeelden waar je naar opkijkt?
Ik heb er al een paar genoemd zonet. Maar het verandert over de jaren.
Ik vond Dan Simmons Hyperion Cantos verpletterend. Ik ben ook groot fan van Vernor Vinge, een sf-schrijver die bij mij in de top-10 staat, maar die ik in al die ‘beste sf ooit’-lijstjes niet vaak tegenkom.
Op Altered Carbon van Richard K. Morgan was ik stinkend jaloers. Zo’n vlijmscherp sciencefictionverhaal had ik heel graag willen schrijven.
Vorig jaar las ik met groot plezier de Skyward-boeken en dat was mijn eerste kennismaking met Brian Sanderson. Ik vond het heel fijn om dat oude enthousiasme van ‘gewoon een lekker verhaal’ weer eens mee te maken.

Wat doe je het liefst als auteur? De eerste versie neerpennen? Redigeren? Of nog wat anders?
Ik vind het plotten en uitdenken heel leuk, op de tweede plek komt het redigeren en dat betekent dus dat ik het daadwerkelijke schrijven, het zogenaamde “sit down and bleed” vind ik dus het meest uitdagende van het schrijverschap. Als het lekker loopt dan kan het heerlijk zijn, maar soms vind ik het ook best pittig om die “friggin’ thousand” elke dag weer neer te pennen en er zijn wel eens momenten dat ik mij afvraag waarom ik deze “hobby” ooit heb kunnen kiezen.

Wat is voor jou goede sciencefiction?
Ik vind belangrijk dat het fantastische element in een sciencefiction verhaal een hoofdrol speelt. Zonder dat fantastische element (in sciencefiction dus een wetenschappelijk gefundeerd iets) zou het verhaal niet mogen of kunnen werken.
Ik vind heel veel sciencefiction “goed” maar elk verhaal staat bij goede personages die in de arena van de schrijver terecht komen.
Mijn grote liefde ligt bij verhalen die over een groot tijdsbestek gaan, en bijvoorbeeld een sciencefiction verhaal over meerdere generaties.
Ik vond bijvoorbeeld de Mars Trilogie van Kim Stanley Robinson fantastisch toen ik die in mijn jeugd las. En ik denk aan bijvoorbeeld Arkwright van Allen M. Steele of Spin van Robert Charles Wilson. En recentelijk de boeken van Adrian Tchaikovsky.

Hoe zie je de toekomst van Nederlandstalige sciencefiction?
Oei.
Aan de ene kant wil ik mega-enthousiast reageren omdat er een mooie community is van fantastische lezers én schrijvers. Er zijn allemaal kleine en middelgrote uitgevers die veel uitgeven en deze community bedienen. Er komt meer aandacht, zoals laatst het Volkskrant-artikel van George van Hal. Ook zie ik dat sciencefiction niet meer automatisch een vies of eng woord is als er in literaire zin over wordt gesproken. Ik vind het mooi dat in de literatuur er sciencefictionelementen worden gebruikt, alhoewel ik het eerste Nederlandstalige literaire werk dat pure sciencefiction is nog moet vinden.
Aan de andere kant zie ik dat de jonge generatie op de middelbare school heel veel Engels leest. Ze gaan bijna direct over van de kinderboeken naar de Engelstalige YA. Ze voelen zich veel meer thuis in het Engelstalige, geven ze zelf aan. In hoeverre zal deze ontwikkeling van invloed zijn op de commerciële keuzes van de grote uitgeverijen qua uitgeven van Nederlandstalige sciencefiction? We zien nu al dat zelfs grote titels en reeksen (zoals The Expanse) niet (geheel) worden vertaald.

Ik probeer dus enthousiast te blijven, maar ik denk dat we hard aan het werk moeten om het Nederlandstalige fantastisch genre in het zicht te houden van de markt. Gelukkig zijn er mooie initiatieven, zoals nu de Fantastische Unie.

Bestaat er naar jouw mening zoiets als Nederlandse sciencefiction? Waar kenmerkt zich die door? Er is natuurlijk de ondertussen vaste waarde Ziltpunk, maar zijn er daarnaast nog eigenschappen die typisch zijn voor sciencefiction van Nederlandse auteurs? En die dus ook in jouw werk terug te vinden zijn? Een soort Nederlandsheid?
Eén van de eerste artikelen die ik in 2014 las toen ik de Nederlandse SF ontdekte, ging erover dat heel veel Nederlandse schrijvers nog altijd kozen voor Angelsaksische omgevingen en niet voor hun eigen land. Dat vond ik heel interessant. Bij één van mijn inzendingen voor de Paul Harland Prijs dat jaar koos ik daarom specifiek voor een Nederlandse hoofdpersoon, die als wetenschapper onderdeel was van een missie naar Saturnus. Omdat één van de thema’s klimaat was, liet ik haar in flashbacks terugkeren naar haar verleden in Nederland (zelfs Friesland) om de gevolgen van de klimaatverandering te tonen. Daarbij situeerde ik bepaalde scenes zelfs bij mijn woonplaats, want ik woon op een paar honderd meter van de zeedijk die ons lage Friesland scheidt van de Waddenzee en hier aan de kust zijn wij ons altijd zeer bewust van de natuur. In mijn verhaal #blueblobtalking maakte ik techstad Eindhoven centraal voor de oplossing bij een Alien-invasie. Mijn “andere” verhaal tijdens de afgelopen Harland Awards was (vond ik) een echte Ziltpunker dus ik hoop dat ook deze nog ergens gepubliceerd gaat worden.

Voor de rest vind ik dat je als schrijver een goede reden moet hebben waarom je NIET je verhaal in je eigen omgeving (wereld en maatschappij) laat plaatsvinden als dat voor het verhaal niets uitmaakt. Ik probeer altijd zoveel mogelijk Nederland en Nederlanders in mijn verhalen te stoppen, en waar mogelijk onze maatschappij en gewoontes daarin te verwerken.
De zwijgende aarde-reeks hebben we ook opgezet met dat Nederlandse tintje, door bijvoorbeeld de VOC-geest op de hak te nemen en sowieso Nederland een zeer prominente plaats te laten innemen in dat universum. Dat we daarvoor de andere grote wereldmachten even moest “uitschakelen” nam iedereen op de koop toe.
Ik denk en wil ook nog beter nadenken én schrijven over echte Nederlandse thema’s en hoe we deze kunnen extrapoleren naar interessante sciencefictionverhalen.

 Op de website van de nakende HSFCon vond ik het volgende: “Sinds 2019 is Jorrit betrokken bij culturele organisaties die zich bezighouden met de ontwikkeling van spoken word, film en kunst en het aantrekkelijker maken van het noorden (van Nederland, red.) voor makers van diverse pluimage. Jorrit gelooft in het tot elkaar laten komen van mensen uit verschillende disciplines, meer aandacht voor cultuur en het samen creëren van nieuwe, mooie dingen.” Kan je die visie wat nader toelichten?
Oh, dat klinkt wel heel interessant!
In de basis komt het er op neer, dat ik heel graag zou zien dat mensen uit verschillende disciplines meer met elkaar samenwerken. Ik zie bijvoorbeeld dat scenariomensen in de film nu best wel dingen met sciencefiction willen doen (denk de serie Arcadia) maar zelf weinig sciencefictionkennis hebben. Het is heel jammer dat er dan geen brug is die bijvoorbeeld scenarioschrijvers en ‘gewone’ schrijvers met elkaar verbindt. Ook de stripwereld lijkt weer een hele afzonderlijke universum te zijn.
In mijn ideale wereld weten we deze verschillende creatieve werelden nog beter te verbinden. Maar ja, so much to do and so little time to do it in.

Tot slot: waar ben je voor lezers te vinden?
Ik ben niet héél actief op socials, maar je kan mij vinden op jorritdeklerk.nl, op Instagram  en ook nog op Facebook.

Wat zijn je toekomstplannen als auteur?
Write your friggin’ 1.000!

Bedankt voor het interview!
Graag gedaan!

 

Meer weten over de Harland Awards-verhalenwedstrijd, die vanaf volgend jaar de Harland Prijs heet? Dan kan je hier terecht?
En hier vind je de verhalenbundels met de vijf hoogst scorende verhalen van 2020, 2021 en 2022:
Winnaars Harland Awards 2020
Winnaars Harland Awards 2021
Winnaars Harland Awards 2022

 

 

© 2020 – 2024 Fantasize & Isabelle Plomteux

You cannot copy content of this page