De laatste draak

Johan Klein Haneveld

Vanaf het moment dat ik de felrood geschubde bomen zag en het hoornharde gras voelde knappen onder mijn laarzen, wist ik dat ik mijn doel genaderd was. Ik bleef een ogenblik staan, mijn handen op mijn bovenbenen. Mijn adem kwam in stoten en er dreven zwarte vlekjes door mijn gezichtsveld. Het afgelopen half uur had ik aan één stuk door gerend, sinds ik de brul tussen de bergen had horen galmen en het licht van vlammen tegen de wolken had zien opgloeien. Langzaam begon de pijn in mijn linker zij gelukkig af te nemen. Ik zette me weer in beweging, rustiger nu.

Er kon geen twijfel meer bestaan over de richting die ik in moest. De toppen van de sparren boven mijn hoofd waren afgebroken. Sommigen hingen nog aan flarden als de slingers van een klok, anderen lagen in smeulende hopen op de donkergrijze bodem. Met elke stap die ik zette werd de ravage zichtbaar groter.

Een enorm wezen met een even grote bulk had een duidelijk spoor door het bos getrokken, tot vlak bij de hoge rotsen. Die had ik vanmorgen nog in de verte zien liggen als een grauwe barrière waar het woud als een golf tegen stuksloeg. Nu ving ik er soms al een glimp van op tussen de bomen. Koud, ongenaakbaar gesteente, met daarachter witte sneeuw. Het einde van de reis. Dichtbij.

De rauwe wond in het landschap dat ik doorkruiste, was besproeid met verse druppels bloed, een web van robijnen dat zich steeds verder uitbreidde en uiteindelijk samensmolt. Rond de robijnrode poelen was de begroeiing zichtbaar veranderd. Bladeren waren getooid met kloppende rode aderen, uit wortels ontsproten kromme stekels en dunne stengels waren onbuigzaam geworden als tralies, rondscharrelende spinnen en kevers torsten onnatuurlijke pantserplaten met zich mee. Ik deed mijn best niet in de warme, stroperige vloeistof te gaan staan; ik moest nog even verder.

Mijn reis had ondertussen flink wat jaren geduurd; ik was vanuit Toron, de hoofdstad van het keizerrijk Daruul – direct nadat mijn opleiding was afgelopen – vertrokken. In plaats van voor mezelf te beginnen als schrijver, in een van de dorpen in de provincies, zoals mijn medestudenten eigenlijk allemaal van plan waren, was ik op een handelsschip aangemonsterd. Mijn duur verworven talenkennis had ik gebruikt om te onderhandelen met hardnekkige havenmeesters. Ook verkopers konden hun dure waar niet zonder meer aan mij kwijt, ik wist met relatieve eenvoud een gunstige prijs te realiseren. Zo bereikte ik Irdatal, het grauwe land waarover ik in de boeken had gelezen, waar grimmige strijders leefden, maar ook –volgens de legendes- grote schapen met een weelderige vacht. Ik was beroofd en voor dood achtergelaten, had bijna drie jaar als huisslaaf geleefd bij een stamhoofd, tot ik wist te ontsnappen. Ook had ik mijzelf inmiddels in het gebruik van kruisboog en zwaard weten te bekwamen.

In de steden van Maratal, voor ons thuis niet meer dan een naam op een landkaart, had ik hele dagen doorgebracht in luxe badhuizen en had mezelf in de plaatselijke studiecentra naar binnen weten te praten; mijn kennis van de wereld werd daar zeker op prijs gesteld. In ruil voor mijn kennis wisten de plaatselijke wetenschappers mij vertellen waar de laatste draken leefden; voorbij de pieken van het Vunegebergte, over de kronkelingen van de rivier Nol, in het land van de Krogi. De leerhuizen van Maratal bezaten zelfs nog enkele vaten drakenbloed, uitsluitend bedoeld voor hun koningen als die ten oorlog trokken en ook zelfs nog twee oude schedels, met witte hoorns en zwarte oogholtes zo groot als wagenwielen. Vroeger was het meer geweest, zeiden de beheerders; toen hadden de pakhuizen tot aan de nok toe vol gelegen met schubben en drakenleer.

Na twee overwinteringen in dit aangename land begon ik aan het laatste deel van mijn reis. Dit is nu niet het moment om verder over mijn ontberingen uit te weiden, maar toen ik uit Daruul vertrok, hoefde ik me nog nauwelijks te scheren. Toen ik aankwam in het land van de Krogi stonden er al grijze strepen in mijn baard, miste ik enkele tanden en begon mijn haar zich van mijn haargrens terug te trekken. Ik werd er gezien als een zonderling en de heersers in hun stenen burchten weigerden naar mij te luisteren. Alleen in de dorpen vond ik oude mensen die me te woord wilden staan. Volgens hen was er al jaren geen draak in de omgeving gezien. Kort nadat de eigenschappen van het drakenbloed waren ontdekt, hadden de geharnaste strijders de dieren namelijk hardnekkig opgejaagd. Hun nesten waren leeggeroofd, de bossen waar ze zich verstopten waren platgebrand. Gespecialiseerde jachtgezelschappen schepten tegen elkaar op hoeveel zij er al hadden gedood.

Dat er daar mensen bij stierven, door vuur verschroeid, door meterslange tanden doorstoken, botten versplinterd, leek hen niet af te schrikken, integendeel. Met speer en bijl en zwaard bleven ze optrekken, fanatieker naarmate er minder draken overbleven, de waarde van hun producten bleef immers toenemen. Dus beklommen ze de hoogste bergen, drongen door in de meest uitgestrekte wouden en betraden de diepste grotten. Inmiddels was het grootste deel van de gezelschappen echter ontbonden; alleen enkele vastbesloten avonturiers geloofden nog dat ze prooi konden vinden. Wie nu nog vers drakenbloed wist te verkrijgen, zou van de opbrengst makkelijk kunnen rentenieren, zijn gezin en uitgebreide familie incluis.  Op dorpspleinen werd wild gespeculeerd over hun kans op succes.

Ondertussen werd ik met argwaan bekeken, omdat men mij, naast jager, vooral als concurrent beschouwde. Maar alles wat ik vooral wilde, vanaf het moment dat ik als student de oude legenden had gelezen, was een van deze majestueuze wezens met eigen ogen zien, maar het leek er echter op dat ik te laat was. Van nu af aan moest ik leven in een wereld zonder draken.

Minder ver weg dan ik had gedacht, hinnikte een paard en niet veel later hoorde ik gedempte stemmen. Opgetogen kreten van jagers die denken dat hun prooi hen niet meer kan ontgaan. Het was de groep die ik al enkele maanden op een afstand volgde, in en uit de dalen van het grensgebergte, waar volgens vage geruchten zich nog een laatste draak zou verstoppen. Ik was mager geworden, mijn ribbenkast was een xylofoon, mijn schouders en heupen niet meer dan kledinghangers. Nu de herfst begon te vorderen, zou het steeds moeilijker worden genoeg voedsel bij elkaar te schrapen.

Ik had mijn zoektocht bijna opgegeven, toen ik plotseling de knallen hoorde en vervolgens het woedende gebrul van de prooi. De door felle vlammen verlichte schaduw was over mij heen getrokken, gierend als een stormwind. Ik was direct gaan rennen.

Twee bomen waren uit elkaar geduwd, half ontworteld, de twee helften van de kruinen zwart als roet. Ik stapte er tussendoor. Achter mij klonk het geroffel van hoeven, luider en luider. Mijn hart bonsde in mijn keel. Voor mij rezen mistige wolken op van een enorme kuil in de grond tegen de rotswand. Eromheen smeulde het gras. Dieprode strepen wezen naar het centrum. Daar zag ik een afschuwwekkende vorm. Geknakte ledematen, ribben die door de geschubde huid naar buiten staken, een vleugel als een losgeslagen zeil, klapperend in de wind. Meter na meter ineen geduwd en weer uit elkaar getrokken. Over de rand van het gat lag een poot, zo groot als een boom, de klauwen als zeisen, de schubben als edelstenen. Het was het enige dat zijn oorspronkelijke vorm had behouden.

Dit was niet wat ik gehoopt had te mogen aanschouwen, geen legende, onaantastbaar, ontzagwekkend.
Dit was een slachtoffer. Het dier was niet eens helemaal dood, maar in stille stervenspijn gehuld. Vanuit de rook klonk de bemoeilijkte ademhaling als de blaasbalgen in een smidse; diepe zuchten, gevolgd door het sissen van water. Zelfs nu de rest van het lichaam het had opgegeven, bleven de longen pompen. Ik ving de zwakke glinstering van een oog op: goudgeel met een diepzwarte pupil, trillend alsof het moeite kostte open te blijven.

Ik keek over mijn schouder. Er was in het bos nog niets te zien. Rijen van stammen, varens en struiken. Maar ik hoorde wel een kreet: ‘Hierheen!’ Elk moment kon het gezelschap haar prooi bereiken. Ze zouden niet blij zijn mij in de buurt ervan aan te treffen. Ik wilde echter ook niet verdwijnen, mijzelf verstoppen. Ik was er eigenlijk ook niet zeker van of ik wel wilde toekijken hoe het ooit zo majestueuze wezen door slagers aan stukken werd gesneden, in tassen en buidels zou worden geduwd en uiteindelijk verkocht tegen astronomische bedragen.

Opnieuw het geluid van hoefslagen. Ik nam een beslissing. Drie grote stappen brachten me voorbij de bewegingloze poot en na nog ongeveer een halve meter was ik bij de rand van de kuil, welke gevuld was met een dampende, rode vloeistof. De hitte sloeg in mijn gezicht. Ik aarzelde niet, maar liet me voorover vallen. Meteen ging ik kopje onder, liet mij volledig in de kleverige massa onderdompelen. Pijn golfde over en door mij heen, als een doop in brandend zuur. Ik opende mijn mond en dronk met grote teugen. Mijn maag trok zich samen en leek vervolgens op te zwellen als een ballon van pijn in mijn binnenste.

Mijn hoofd brak door het scharlaken oppervlak, maar de lucht die ik inademde leek nauwelijks voldoende. Mijn ledematen rekten zich uit alsof ik op een martelwerktuig was geplaatst. Op mijn huid zag ik rode schilfers groeien, mijn vingers werden langer en mijn nagels kleurden donker. Onzichtbare handen kneedden mijn gezicht als was of klei en mijn nieuwe, smalle tong streek opeens langs puntige tanden.

Mijn kleding werd uiteengescheurd terwijl zich vanuit mijn schouderbladen twee nieuwe ledematen ontvouwden; dunne, perkamentachtige vliezen glanzend in het felle zonlicht. Ik richtte me op, zag een staart als van een slang. Vanuit de boomgrens verschenen de ruiters in hun zilveren harnassen. Ik blies een golf van hete vlammen over hen heen.

Ik was de laatste draak.

 

Johan Klein Haneveld (1976) schreef al meerdere boeken. In december 2016 verschijnt het eerste deel van zijn fantasytweeluik: ‘De Krakenvorst, boek 1: Keruga’. In mei 2017 zal zijn verhalenbundel ‘Conquistador’ uitkomen. Voor zijn korte verhalen won hij al meerdere prijzen. Naast het schrijven werkt hij als redacteur bij het Tijdschrift voor Diergeneeskunde en geniet hij met zijn vrouw van zijn aquariums, boeken en films, en fantasyfestivals.

 

Bron illustratie:
Jorge Jacinto ©2014-2016 JJcanvas
jorgejacinto.com
deviantart.com

Comments

comments

Previous post

SATIRE: Eindredacteur Fantasize gespot tijdens storm

Next post

Evenementen: Programma Castlefest Winter Edition bekend

Karen van den Andel

Karen van den Andel

Karen is sinds september 2016 eindredacteur van Fantasize