In de categorie epiek nu ‘De vervloekte klokken van Breda’. Een verhaal over Maria van Grave en jonkheer Walther van de Ulvenhout; twee jonge mensen uit de omgeving van Breda, die elkaar leerden kennen in de bloei van hun leven.

…..Wee hen! Hun prille liefde was tot mislukken gedoemd. Toen de jonkheer op zijn vader afstapte om hem te vertellen dat hij van Maria van Grave houdt en met haar wilde trouwen, maakte de oude geschrokken een afwerend handgebaar. “Nooit! Ik zal het je niet toestaan!”

“Waarom niet, vader?” De oude man staarde in de vlammen en gaf geen antwoord. De jonkheer viel op zijn knieën voor hem neer. “Vader, denk aan uw eigen jeugd, denk aan de dagen dat u moeder liefhad, in de lente van uw leven. Wat zou u uw vader hebben geantwoord, als deze had gezegd: ‘Je mag niet trouwen.’ “Neem een ander, neem wie je wilt”, riep de oude man uit, “maar niet Maria van Grave, nooit Maria van Grave!”

“Waarom niet? Zeg me dan toch waarom?!”

“Het is mijn wens en mijn bevel!”

Hardop vloekend rende de jonkheer de kamer uit. Hij zadelde zijn paard en reed in galop over de wegen, zijn paard alsmaar aansporend harder te lopen. Zo kon hij goed nadenken. “Mijn vader is zeker vergeten hoe het voelt om lief te hebben, hij denkt dat de liefde zich laat beheersen, hij wil me dwingen zijn zin te doen, alsof God of de duivel mij zou kunnen dwingen. Hij kan nog eerder het kloppen van mijn hart stoppen dan mijn liefde. Vort! Ren, paard, we zien wel waar we terechtkomen, mijn liefde zweept mij op. ’t Kan me niet meer schelen wat er gebeurt. Als het dan moet zijn, dan zeg ik: laat het komen, zoals het komt.

Plotseling hield hij zijn paard in en hij sloeg zijn hand tegen zijn voorhoofd. “Zou ik haar vanmiddag niet ontmoeten, om haar te vertellen wat mijn vader zei?! Ze zal er nu vast niet meer zijn. Ik, ongelukkige! Ik had haar in mijn armen kunnen sluiten en ze zit nu vast weer thuis, zonder dat ik haar heb gezien!” Deze gedachte deed zijn gezicht van voorhoofd tot nek branden, alsof hij te lang een zware helm had gedragen. Hij dacht aan haar ogen en een wild verlangen kwam in hem op. Wilde zijn vader proberen hem van haar te scheiden? Hij lachte. Hij draaide zijn paard en reed snel naar de plaats waar hij Maria zou ontmoeten.

Walther en Maria maken plannen….

Ze stond nog op hem te wachten, in het gezelschap van een oude dienares, die verveeld en ongeduldig een eindje van haar af stond. Nadat het paard stilstond liep ze hem tegemoet en pakte zijn hand. “Hoe heb ik gewacht!” Hij steeg af en bond het paard aan een boom. “En… wat heeft je vader gezegd?”

“Laat me je eerst kussen.”

“Eerst, wat heeft je vader gezegd?”

“En als mijn vader heeft gezegd, dat wij niet met elkaar mogen trouwen, moet ik dan soms weer weggaan? Wat doet het ertoe wat mijn vader denkt…”

“Dus hij vindt het niet goed dat wij elkaar liefhebben?”, vroeg ze verdrietig. Hij keek haar verbaasd aan.

“Hoe weet jij dat?”

“Dat maak ik op uit je woorden. O Walther, ik wist wel dat wij elkaar niet zouden kunnen krijgen. Ook mijn vader zei: er kan niets bestaan tussen een Van de Ulvenhout en een Van Grave. Waarom moeten onze ouders zo wreed zijn?”

“Waarom laten ze ons niet met rust?!”, schreeuwde hij wild. “Wat hebben wij te maken met een vete tussen de Van Ulvenhouts en de Van Graves? Wij hebben elkaar lief. En als het geen vete is, hebben ze ons maar te vertellen waarom wij geen paar mogen worden.”

“Wat kunnen we doen?”

“Nu begint het pas, voor jou en mij. Mijn vader moet niet denken dat hij de baas over mij kan spelen. Luister naar me! De nachten zijn donker. Ik zal met je vluchten. Heb je mij lief?”

“Ik weet niet of ik dat durf. Ik wist dat je het aan me zou vragen en ik bad dat je het niet zou doen! Want hoe moet ik me tegen je verweren? Vraag het me niet weer…..”

“Wat zal mijn vader opkijken als ik hem zeg: ik ben getrouwd met Maria van Grave! Stil….ik weet een kerk…waar ’s nachts een priester bidt. Hij zal ons huwelijk inzegenen!”

“Walther, wanneer jij het zegt…”

“Overmorgen nacht! Zacht weer, regen of wind, het maakt niet uit, dan gebeurt het. We hebben elkaar lief!”

Toen wist ze zeker dat ze hem gehoorzamen moest. Haar vader en moeder waren vreemden voor haar geworden en zoals dat nu eenmaal gaat, wat de vreemde een vriend geworden. Ja, iemand anders dan hij bestond niet meer op deze wereld. “Ik zal doen wat je vraagt”, beloofde ze met zachte stem. “Ik hou van je!”

Hij sloot haar in zijn armen en hij kuste haar teder en beschermend. Zij legde haar hoofd tegen zijn schouder en ze huilde, van niet eerder gekende wanhoop. Hij streelde haar troostend over de wangen. Ze keek hem aan alsof ze hem voor de eerste keer zag. Zij kende zijn gangen en ze kon de trekken van zijn gelaat één voor één dromen, wanneer ze haar ogen sloot. Maar ze had hem nog nooit zo gezien zoals hij nu deed, nu ze zichzelf en haar leven overgaf in zijn handen.

“Waarom kijk je me zo aan?”, vroeg hij.

“Walther! Ik laat mijn vader en moeder in de steek voor jou.”

“Je krijgt er toch een nieuw thuis voor terug? Lieveling, als je vader en je moeder je vervloeken, zal ik je des te meer liefhebben…”

“Er ligt een vreemde glans in je ogen, die ik nog nooit heb gezien. Jij denkt dat je alles en iedereen kunt dwingen!”

“Wee diegenen die mij in de weg staan!”

“Je maakt me bang! Wat zal er gebeuren?”

“Laat gebeuren wat moet gebeuren. Wij horen bij elkaar!”

Ze spraken af dat ze twee nachten later zouden vluchten. Hij zou met een dienaar onder haar venster staan, een ladder tegen de muur van haar kamer zetten en te paard zouden ze wegrijden.

Heb vertrouwen….

Op de bewuste dag gingen Walther en zijn dienaar op weg. Onderweg zeiden ze niets tegen elkaar, ze fluisterden zelfs niet. Bij het kasteel aangekomen, stegen ze af. De paarden bleven onbeweeglijk staan, als standbeelden. Maria stond klaar op het afgesproken uur. Ze hoorde hoe de ladder in de buurt van het raam werd gezet, maar ze kon niets zien in de donkere nacht. Ze luisterden. Heel zachtjes besteeg iemand de sporten van de ladder en stapte behoedzaam haar kamer binnen. Ze wachtte angstig af, haar hart klopte in haar keel, alsof een inbreker haar naderde. Toen voelde ze zijn vertrouwde armen om zich heen en kwam tot rust. De dienaar die beneden stond te wachten, ontstak een vuur. Bij dit rozige schemerende licht dat flakkerde alsof het in de wind werd bewogen, als waaide het niet, droeg haar minnaar haar naar beneden. Toen ze de grond raakten, doofde op hetzelfde ogenblik de gloed. Hij tilde haar op het paard en stapvoets reden ze weg. Zo zou het voor diegenen die iets hadden gehoord, lijken alsof er toevallige ruiters voorbij gingen. “Waar breng je me heen?”, vroeg ze fluisterend, nadat ze een eindje van haar huis vandaan waren. Hij lachte. “Dus je hebt toch wel vertrouwen in mij, dat je op me wachtte zonder te vragen waar ik je heen zou brengen, mijn liefste!”

“Ja”, antwoordde ze en in het donker ze zocht zijn hand. “We zijn spoedig waar we wezen moeten.”

Er rust geen zegen op….

Voor een kerk liet hij zijn paard stilhouden en nadat hij op de grond was gesprongen, hielp hij haar van het paard af. “Straks zullen we draven als het huwelijk tussen ons is ingezegend”, zei hij. “Dan zal ik je ver weg voeren waar geen mens ons kan vinden lieveling. Dan begint er een leven van geluk voor je.”

Hij leidde haar aan de hand de kerk binnen. Kaarslicht verspreidde een rossige gloed in de ruimte en de geur van wierook vulden hun neusgaten. Bij het altaar lag een priester geknield, in gebed verzonken, die niet opkeek toen ze hem naderden. “Dit is de priester aan wie ik heb gedacht”, fluisterde Walther. “Vele  nachten, wanneer alle andere mensen slapen, bidt hij hier in de eenzame kerk. Hij zal ons het geluk niet weigeren.” Zij wachtten eerbiedig tot de priester van zijn plaats opstond. Ze stonden hand in hand voor hem. In de geest van de priester trilde nog de echo van het gebed na en hij hield zijn hoofd gebogen. Pas toen Walther zijn mond opendeed, merkte hij dat er mensen op hem stonden te wachten die om zijn goede raad verlegen waren.

“Wat kan ik voor u doen?”, vroeg hij beminnelijk.

“Vader! Zie hier voor u twee mensen die van elkaar houden, een minnend paar, dat u smeekt, om hun huwelijk in te zegenen.”

“Waarom komen jullie daarvoor in de nacht?”

“Als men ons overdag verhindert om te gaan, moeten we de nacht wel zoeken!”

“Waarom verhindert men u overdag te gaan?”

“Ik weet het niet, vader! Men weigert ons een verklaring!”

“Hoe is uw naam?”

“Walther van de Ulvenhout!”

“En van het meisje dat naast u staat?”

“Maria van Grave..”

“En uw vader heeft gezegd dat een huwelijk tussen de Van Ulvenhouts en de Van Graves niet mocht zijn?”

“Hoe weet u dat?”

“En nu verlang je van mij dat ik dit huwelijk mijn zegen zal geven?”

Maria vouwde haar handen. “Help ons! Ons geluk of ongeluk ligt in uw handen!”

“Elke nacht dat ik hier voorbij kwam de laatste tijd”, zei Walther zacht, “dacht ik: deze priester is goed, hij zal het begrijpen. We hebben elkaar lief, zodat de hele wereld van aanzien is veranderd toen wij elkaar ontmoetten, zo plotseling als een weiland in de eerste voorjaarsdag.”

De priester stond voor hem en het was hem aan te zien dat hij een zware strijd voerde. Toen hij eindelijk sprak, klonk zijn stem zwaar en bedroefd. “Er rust geen zegen op. Ik kan dit huwelijk van jonkheer Walther van de Ulvenhout en Maria van Grave niet inwijden.” Vol wilde drift tastte de ongelukkige minnaar naar het klokkentouw, dat naast hem hing. Zijn vingers omknelden het zo vast, dat je zou denken dat hij iemand wilde wurgen. In ontzetting greep de priester zijn arm vast.

“Walther”, smeekte hij indringend bij zijn voornaam aansprekend, “luid de klokken niet in! Ze zijn nog ongezegend en daarom in de macht van de duivel. Hij zal je te gronde richten als je aan het touw trekt.” De jonkheer luisterde niet en begon de klokken te luiden; hij wilde ze laten beieren over het land. Hij wilde uiting geven aan zijn machteloze woede, aan zijn intense verdriet, hij wilden iedereen laten weten wat hij voelde, als een dichter die naar woorden zoekt om zich uit te drukken. Maar de klokken waren nog in de macht van de duivel. Ze gaven een snerpende kreet en tegelijkertijd vielen ze uit de toren en ze donderden neer in het water, dat voor de kerk stroomde. Toen stortte de toren zelf in en bij honderdtallen hagelden de stenen op Walther en Maria neer, die ter plekke stierven.

De priester bleek op wonderlijke wijze ongedeerd. Van alle kanten kwamen de mensen toelopen en ze staarden naar de puinhopen. Van de twee doden keken ze naar de levenden en ze verwonderden zich dat Gods macht en de macht van de duivel soms in één gebeurtenis zichtbaar worden…..

(Bron: De mooiste Nederlandse sagen en legenden)

 

Comments

comments

Redactie Fantasize

Redactie Fantasize

Fantasize is hét onafhankelijke online fantasy magazine voor de liefhebbers van fantasy, sciencefiction, horror en alles wat daarbij hoort. Op Fantasize vind je niet alleen recensies van boeken, films, televisieseries en games, maar ook (video)reportages van de leukste fantasy fairs en -evenementen. Fantasize brengt het verhaal achter de fantasy in de rubriek ‘Verdieping’ en publiceert spraakmakende interviews met (internationale) schrijvers, acteurs, muzikanten en andere interessante personen die hun leven aan het genre wijden. Ook vind je op Fantasize een handige agenda waarin fantasy-gerelateerde evenementen staan. Fantasize biedt in de rubriek ‘Vertellingen’ ruimte voor schrijvers die hun verhaal graag willen (voor)publiceren en wekelijks lees je in de ‘Fantasize Weekalmanak’ het leukste fantastische nieuws.

The Shaedon Resurgence, book II: The Zar’aranos Deception
Previous post

The Shaedon Resurgence, book II: The Zar’aranos Deception

Wonder Woman door Mezco Toyz en NECA 1
Next post

FANTASIZE JE VITRINE - Wonder Woman door Mezco Toyz en NECA