web analytics
vrijdag, juni 14

Special Tweestrijd: Literatuur is sciencefiction en fantasy

door de redactie

Literatuur gaat over waarheid en waarheid is nauw verbonden met de werkelijkheid. Fantasy en sciencefiction vervormen de werkelijkheid en kunnen daarom per definitie geen literatuur zijn. Fantasy en sciencefiction appelleren misschien aan het moraal, dat maakt het nog geen literatuur. Het zijn uitspraken die je kunt tegenkomen als je gaat zoeken naar de literaire grondslagen van speculatieve literatuur. Zit er waarheid in die bewering?

De ontwikkeling van sciencefiction en fantasy
Volgens de Amerikaanse sciencefictionschrijver L. Sprague de Camp was de allereerste sciencefictionschrijver de Griekse Lucianus van Samosata, die in 160 na Christus een werk uitbracht waarin er een reis naar de maan voorkomt. Brian Aldiss, eveneens sciencefictionschrijver, bestrijdt dit en zegt dat sciencefiction niet mogelijk is zonder de wetenschap. Volgens hem is Frankenstein van Mary Shelley uit 1818 daarom de eerste sciencefictionroman, omdat daarin een wetenschappelijk gegeven, namelijk elektriciteit, werd gebruikt in plaats van magie of goddelijke krachten.

Hoe het ook zij, sindsdien heeft de sciencefiction zich als literair genre ontwikkeld, vooral in Amerika. Tijdens de wetenschappelijke revolutie ontstonden revolutionaire verhalen, net als in Frankrijk en Engeland. Het genre evolueerde daar met boeken zoals die van Jules Verne en H.G. Wells. Nu zien we ze meer als avonturenverhalen of proto-sciencefictionverhalen, maar hun invloed op de hedendaagse verbeeldingsliteratuur is nog altijd groot.

Terwijl het genre zich ontwikkelde via de pulp fiction naar de Golden Age, met schrijvers als Olaf Stapledon en “de grote drie”, Isaac Asimov, Robert A. Heinlein en Arthur C. Clarke, stokte het genre hier in Nederland. Getraumatiseerd door vijf jaar Duitse bezetting ging de Nederlandse schrijver voornamelijk schrijven over de verwerking van die periode. Een logische ontwikkeling, die er wel toe leidde dat er een schisma ontstond in interesse en uitgaven van sciencefiction en fantasy in ons land. Toen de New Wave in Amerika en Engeland opkwam in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, waarin literaire thema’s binnen de sciencefiction werden gebracht om tegenwicht te bieden aan de pulp fiction uit de jaren veertig en vijftig, ontwikkelde zich in Nederland een nieuw hoofdstuk in de literatuur. Dat ging meer de kant op van de popart dan dat er geëxperimenteerd werd met sciencefiction en fantasy. Maatschappijkritiek werd belangrijk, evenals een satirische of allegorische kijk op het leven; alleen kwamen de vehikels waarin de schrijvers hun verhalen goten, zelden uit de speculatieve literatuur.

Een gemiste kans, zeker omdat het sciencefictiongenre elders steeds volwassener werd. Hier in Nederland opereerden schrijvers met ambities op dit vlak in de marges, vaak met elementen erin van avonturenverhalen, spannende verhalen of westerns. Toch braken er enkelen door, met name Felix Thijssen, Wim Gijsen, Peter Schaap en kortverhalenschrijvers als Paul Harland, Peter Cuijpers, Jan JB Kuipers en Guido Eekhaut. Binnen het genre zijn deze namen nog bekend, daarbuiten allang niet meer. Eind jaren tachtig publiceerde Thea Beckman nog de feministische toekomst-trilogie Kinderen van Moeder Aarde, Het helse paradijs en Het Gulden Vlies van Thule. Sindsdien staat de ontwikkeling van de sciencefiction en fantasy in Nederland nagenoeg stil. Het enige niveau waarop werk uit het genre getolereerd wordt, is de jeugdliteratuur. De sciencefiction van nu gaat daarom nog steeds – uitzonderingen daargelaten – over ruimtereizen à la Star Trek of beschrijft dystopische samenlevingen à la 1984 en de fantasy speelt zich voornamelijk af in tolkieneske werelden met dito wezens en thematiek.

Reden voor Fantasize om dit onderwerp (weer) onder de aandacht te brengen, met artikelen en achtergrondinformatie. Zodoende kwam de redactie in contact met Johan Klein Haneveld, fantasy- en sciencefictionschrijver, die zich al langer beklaagt over de povere kwaliteit van de verbeeldingsliteratuur in de Lage Landen. In een chatsessie op Facebook met redactielid Sigrid Lensink-Damen ontstond het idee om andere schrijvers te vragen hoe zij over deze zaken denken. Een rondetafelgesprek via de mail leek hen een goede manier om de meningen te vergaren.
Naast Sigrid en Johan schoven Fantasize-redactieleden Karen van den Andel en Ninja Paap-Luijten aan. Ook vonden Mike Jansen, fantasy- en sciencefictionschrijver en organisator van de Edge.Zero-wedstrijden, Pen Stewart, Vlaams fantasy- en sciencefictionschrijfster en Marcel Ozymantra, kunstenaar, sciencefiction- en fantasyschrijver en hoofdredacteur van literair tijdschrift Sintel, hun weg naar dit rondetafelgesprek.
Johan en Sigrid vroegen zich af waarom er zo veel weerstand is onder fantasy- en sciencefictionschrijvers om het genre te verbeteren. Waarmee Sigrid bedoelde “naar een hoger plan” trekken ofwel meer richting de literatuur te laten gaan, met literaire thema’s en onderwerpen. Johan vroeg zich af of er niet gewoon betere fantasy en sciencefiction geschreven kon worden binnen de maatstaven van het genre. Twee legitieme kwesties, waaruit de volgende hoofdvraag werd geformuleerd: waarom blijft het genre en daarbij het schrijfwerk zo in het hobbyisme hangen?
De deelnemers probeerden eveneens antwoord te krijgen op de vraag waarom er zo veel weerstand is vanuit de “literaire kant” om iets met sciencefiction en fantasy te doen.

© Johan Klein Haneveld

Literair versus speculatief
“Nou,” begint Mike, “vanuit mijn Edge.Zero-perspectief kan ik er redelijk kort over zijn. Mensen moeten eerst maar eens leren schrijven voordat ze iets over sciencefiction en fantasy roepen. Meer dan de helft van de inzendingen diskwalificeer ik eigenlijk al op taalgebruik. Het is dus vooral een kwaliteitsissue. De rest heeft problemen met originaliteit, interne logica of realiteitszin. Blijft over ongeveer 25%, waarvan er een aantal in de bundel van Edge.Zero komen. Die kunnen qua kwaliteit meekomen met de literairen, maar zijn niet zo gepolijst of voorzien van interessante stijlvormen, zoals in de meer literaire werken.”
Johan vindt dat dit wel “afhangt van de definitie van literatuur”. Wat bedoelen we eigenlijk als we het over literatuur hebben?
“De term wordt vaak gebruikt als genreaanduiding en dan wordt ‘realistische fictie’ bedoeld,” zegt Johan. “Als literatuur gaat om bepaalde schrijfvaardigheid is dat iets wat elke schrijver zou moeten nastreven.”
Sciencefiction- en fantasylezers kiezen om specifieke redenen voor genreliteratuur, zoals genieten van de fantastische elementen of opgaan in de ‘sense of wonder’, denkt hij. Die verschillen van de beweegredenen van lezers van ‘realistische fictie’.
“Zijn er termen te bedenken waarmee we de twee begrippen van elkaar kunnen onderscheiden? Bijvoorbeeld ‘schrijfniveau’ en ‘realistische fictie’?”
Volgens Sigrid omvat literatuur vier dingen: ten eerste het beheersen van het ambacht van schrijver, ten tweede het gebruik van de taal. Ten derde vindt Sigrid “literair” een denkwijze, een benadering: “Het is een manier van denken, zoals je ook op een academische of wiskundige manier over zaken kunt nadenken. Op een opleiding, zoals de Schrijversvakschool, leer je ‘literair denken’. Je begint dan vanuit een concept of thema, of bij ‘wat je eigenlijk wilt zeggen’ en daar bouw je het verhaal omheen. Dit klinkt misschien kunstmatig, maar zo kom je wel meteen tot de kern van je verhaal en leer je dieper kijken dan alleen een verhaallijn opzetten en obstakels inbouwen.”
Ten vierde vindt Sigrid literatuur een kunstuiting: “Literatuur is kunst. Deze is belangrijk. Literatuur is autonoom en tegelijkertijd dienstbaar.”
Kunst krijg je door het ambacht tot in de finesses te kennen en te beheersen.
“Ik ervaar geen wezenlijk verschil tussen de twee,” zegt Marcel Ozymantra. “In beide vakgebieden worden gedrochten en meesterwerken geschreven, in een verhouding van – zeg – 90% tegen 10%. Dat is mijns inziens altijd het geval. Het gros van de mensen kan niet schrijven, hoezeer ze ook hun best doen. Helaas denkt iedereen tegenwoordig dat het lezen van één boek voldoet om ook zelf een boek te schrijven.”
“Ja,” beaamt Johan, “het is het hobbyisme dat in Nederland overheerst. Schrijvers zien het schrijven niet als vak waar ze tijd en energie in zouden moeten investeren. Ze zien het als vrijetijdsbesteding. Dit leidt er bijvoorbeeld toe dat het onder Nederlandse sciencefiction- en fantasyschrijvers welhaast taboe is om te zeggen dat je als schrijver veel zou moeten lezen. Of dat je je moet verdiepen in verteltechnieken, de opbouw van verhalen, of de geschiedenis van het genre.”
Pen Stewart merkt zoiets eveneens in Vlaanderen. “Er is effectief een gebrek aan kwaliteit, maar er beginnen uitschieters te komen (in de goede richting). Wat Johan zegt over het gebrek aan meer en divers lezen, merk ik ook. Verder, als we auteurs op professioneel niveau willen krijgen, moeten we hen op dat niveau een opleidingstraject bieden.”

© Johan Klein Haneveld

Opleiding versus zelfstudie
Het panel heeft vrij snel een consensus bereikt als het gaat om schrijfvaardigheid binnen het genre: die is belabberd, met uitschieters naar boven. Er bestaan initiatieven op dit gebied, namelijk met schrijfcursussen, zowel online als klassikaal, schrijfwedstrijden, verhaalchirurgen, de Harland Awards, enzovoorts, deze zaken worden echter als druppels op een gloeiende plaat ervaren. De eenheid is ver te zoeken. Over opleidingen zijn de panelleden verdeeld. Johan en Ninja vinden dat je schrijven vooral in de praktijk leert “door het veel te doen”. Johan meldt nog: “Je wil mensen die geen universitaire opleiding daartoe hebben gevolgd, niet uitsluiten van schrijven.”
Dit is een punt, zeker voor Pen, die vertelt dat de organisator van de cursus waaraan zij zou meewerken, ook de afweging maakte “dat de werkbelasting van de cursus, dus taken, tekstanayses en schrijfwerk, best niet te zwaar is, omdat de doelgroep en klanten dit uiteindelijk naast hun werk, als hobby doen.” Ze zitten met de cursus nu in een testfase en de mogelijkheid bestaat dat de opleiding, die nu voor alle niveaus toegankelijk is, gesplitst zal worden in een beginnersniveau en niveau voor gevorderden.
Pen: “Maar het geeft te denken: instellingen die nu schrijfworkshops en -cursussen geven, mikken dus op een amateurpubliek, of gaan ervan uit dat er schrijvers op amateurniveau zitten. Kijken we naar opleidingen op hogescholen en universiteiten, dan is dat voor speculatieve fictie nada.”
Hetzelfde geldt voor Nederland. Er zijn enkele schrijfscholen, zoals de genoemde Schrijversvakschool, waar de ambitie om een sciencefiction- en fantasyschrijver te willen zijn krachtig wordt tegengewerkt. De Schrijversacademie biedt als enige sciencefiction en fantasy in het curriculum aan en dan is er nog een handjevol keuzevakken creative writing aan een aantal kunstscholen, waar sciencefiction en fantasy structureel genegeerd wordt. Een groot hiaat vindt het panel, zeker als het gaat om speculatieve literatuur. Laten ze schrijven en in het bijzonder schrijven van sciencefiction en fantasy eens serieus nemen.
Zelfstudie via instanties als LOI of aanbieders van opleidingen naast het werk geven ook geen soelaas, omdat de meeste cursussen het beginnersniveau niet overstijgen. Die kun je dus niet gebruiken om beter te worden.
Ninja vult aan: “Dit is de reden dat je op dit moment vooral kunt leren schrijven door het veel te doen. De cursussen en opleidingen die er zijn, sluiten niet aan op de behoeftes van aspirerend sciencefiction- en fantasyauteurs. Er zijn wel wat initiatieven van de grond gekomen, maar die richten zich dan meestal weer voornamelijk op de beginners, óf vooral op de speculatieve elementen. Dan wordt weer het ‘gewone’ schrijversambacht op de achtergrond geplaatst, terwijl juist die balans tussen ambacht en genre zó belangrijk is. Daar zit, op dit moment, een duidelijke kloof.”

Nu de discussie goed op gang is, probeert de redactie van Fantasize hoor en wederhoor toe te passen door op zoek te gaan naar de geluiden vanuit de andere kant, de schrijvers en uitgevers van de realistische fictie. Alle personen die we mailen met de vraag om hun standpunt met ons te delen, reageren terughoudend. Van Thomas Heerma van Voss krijgen we een vriendelijke e-mail met daarin: “Ik vrees dat ik niets kan bijdragen. Ik weet bijna niets over of rondom fantasy. Ik heb er geen uitgebreide gedachtes over, en ook niet over de verhevenheid van literatuur, of over een heldere afbakening van wat wel en niet échte literaire genres zijn. Aan mijn antwoorden zullen jullie, vrees ik, niets hebben.” We mochten ze wel van hem gebruiken als het ergens inpaste. Bij dezen.
Het antwoord van Heerma van Voss is exemplarisch voor de reacties die we uit literatuurland ontvingen: geen affiniteit, geen idee waar het over gaat, geen tijd, want ik schrijf een boek. Eén antwoord was rechtdoorzee: “Ik doe niet mee aan discussies.”
“Gebrek aan kennis…” zegt Ninja. “Tja, mensen die geen zin hebben in een verhaal over een trol, hoef je geen verhaal over een trol voor te zetten. Er zijn echter ontzettend veel mensen (en ik denk juist in de literaire hoek) die het amper geprobeerd hebben.”

Hoe moet de speculatieve literatuur het dan redden in Nederland? Waarom wordt een omvangrijk stuk cultureel erfgoed structureel genegeerd? Fantasy heeft zijn wortels bijvoorbeeld liggen in de volksoverleveringen, in de orale vertelkunst en in de (Griekse) mythologie. Hoezo zijn dat geen gebieden voor de realistische fictie? De ontdekking van de hemel bijvoo…
“Dat is allemaal al gedáán in de fantasy en zelfs in de sciencefiction,” klagen Mike en Johan. Sigrid herinnert zich een editie van het literair tijdschrift Tirade (nummer 486 van augustus 2017 om precies te zijn), waarin literaire schrijvers een poging waagden om sciencefiction te schrijven. Het resultaat was zo knullig en onbeholpen, dat zowel Mike als Johan zich afvragen waarom ze geen hulp aan de deskundigen hebben gevraagd. Sigrid is milder en meent dat de poging op zich al optimistisch mag stemmen. De uitvoering is wat anders en blijkbaar een kwestie van vallen en opstaan. Een uitgebreide vergelijking tussen deze editie van Tirade en de bundel van Edge.Zero met beste genreverhalen uit 2016 verzorgde Jack Schlimazlnik trouwens in 2018 voor de online editie van het Nederlands Contactcentrum voor Science Fiction (NCSF). Schlimazlnik concludeerde dat “… in Tirade een vrij hopeloze poging [is gedaan] om zich bij het genre binnen te werken (…) Andersom zien we (…) hoe de literatuur het genre negeert en in elk geval niet de kansen biedt die nodig zijn om genre te bevorderen tot literatuur.”
Ninja: “Kunnen we daar niet op inhaken? Is er niet de mogelijkheid om bijvoorbeeld enkele korte sciencefiction- en fantasyverhalen voor te leggen en een eerlijke, literaire beoordeling of mening te vragen? Het lijkt me sterk dat daar niemand voor open staat als we dat vanuit een onderzoekende kant benaderen. Juist de mensen die ‘niets van het genre weten’ (of weinig) kun je daar óók voor vragen. Er geen verstand van hebben, is wat anders dan er niet voor openstaan. En ik snap het nooit, dat argument: je hoeft niets van fantasy te weten om te kunnen beoordelen of een verhaalstructuur klopt. Een verhaal is een verhaal.”
“Het valt me op,” zegt Marcel, “dat sciencefiction/fantasy en literatuur elk een ander doel hebben. Ja, de lezer betrekken, maar bij sciencefiction en fantasy gaat het dan vaak om aantrekking en bij literatuur om uitdaging. Een van de redenen waarom de overstap niet zo makkelijk is.”
Mike tegen Ninja: “Ze blijven liever in hun eigen kringetjes. Ik vraag me af of we wel toenadering moeten willen zoeken.”
Sigrid meent stellig van wel, want juist die kruisbestuiving veroorzaakt verbetering. De literaire kant kan genreschrijvers helpen om een stilistisch goed verhaal neer te zetten. Daarnaast is het slim voor literaire auteurs om eens wat meer te experimenteren in plaats van brave verhaaltjes te schrijven over je eigen beslommeringen, zoals nu populair is in de realistische fictie. Wat de logische vraag ontlokt: hoe zorgen we dan voor die kruisbestuiving?

© Johan Klein Haneveld

Poortwachtersfunctie
“Om de professionaliteit van schrijvers te verhogen,” zegt Johan, “kun je starten aan het begin, bij een opleiding. Hoe krijg je mensen zover zich te willen laten opleiden of om een professionele houding te ontwikkelen? Daarvoor moeten er poortwachters zijn.”
Er wordt digitaal geknikt.
Johan: “Als er geen barrières zijn om een boek uitgegeven te krijgen, hoeven schrijvers zich niet aan bepaalde kwaliteitseisen te houden. Dus worden veel boeken uitgegeven die niet zo sterk zijn en dus maken minder lezers de stap naar sciencefiction en fantasy.”
Met dat eerste ‘dus’ is Ninja het niet eens, want “ik vermoed dat er wel genoeg schrijvers zijn die kwaliteit hebben. Hun boeken worden stomweg naar de prullenbak verwezen. Ik denk dat we heel veel nooit zien, nooit zullen lezen, omdat het geen kans krijgt; uit angst dat het misschien ‘niet zo veel verkoopt’ als thrillers.”
Johan: “In Nederland hebben uitgevers niet of nauwelijks een poortwachterfunctie. Iedereen die wil, kan worden uitgegeven of zelf zijn/haar boek uitgeven. De poortwachterfunctie is nodig om kwaliteit te onderscheiden van niet-kwaliteit. Dit kan bijvoorbeeld door middel van recensies – er zijn echter weinig media die gedegen recensies van Nederlands genrewerk publiceren.”
Het panel ziet dat als een goede aanbeveling om de kwaliteit op te krikken. Marcel is cynischer: “Ik hoop van harte dat de sciencefiction binnen zeer korte tijd deze sprong maakt, want anders hoeft het niet meer. De jeugd van tegenwoordig leest niet meer.”
Ondanks dat Marcel een zeer gevoelig punt aansnijdt, namelijk de algemene ontlezing, vinden we dat toch iets voor een andere discussie, niet in de laatste plaats omdat ontlezing zowel de realistische fictie als de speculatieve fictie treft. Daarin kunnen beide kampen elkaar de hand schudden.

De markt versus selfpubbing
Terug naar literatuur versus sciencefiction en fantasy. Het gesprek gaat verder over ‘de markt’.
Pen: “Onze kans op grotere bekendheid hangt erg van de marktvraag af. Hier in België had ik een niet zo leuke ervaring: door corona ging de boekenbeurs niet door en is boek.be bijna failliet. Nu wilde de VRT 300 auteurs gaan interviewen, als vervanging. Ze gingen alleen voor de bekende namen. Ik denk niet dat er ook maar één Vlaamse auteur uit het fantastische genre tussen zit. Opvallend is dat men dus niet of nauwelijks naar de kwaliteit van ons werk heeft gekeken, enkel naar naamsbekendheid en populariteit.”
(Uiteindelijk kwam hier zoveel kritiek op van de kant van de Vlaamse genreschrijvers, dat het beleid werd bijgesteld. Pen werd uiteindelijk wel gevraagd te komen. Ze denkt dat ze de enige genreschrijver van alle geïnterviewde auteurs was. “Maar dat boek.be en ook presentator Tom De Cock van de VRT ons genre toch steunen, daar ben ik heel dankbaar voor,” aldus Pen in een aanvullende mail aan de redactie.)
Mike: “Er is nauwelijks markt voor goede sciencefiction- en fantasyverhalen. Met Edge.Zero heb ik daar als voorbeeldfunctie aan gewerkt, met als resultaat dat sommige (online) bladen nu in ieder geval iets uitbetalen [aan de auteurs] en daar kwaliteit voor terug verwachten.”

© Johan Klein Haneveld

De meeste sciencefiction- en fantasyschrijvers moeten het hebben van de festivals, waar iedereen staat, zowel professionals als hobbyisten. Mike vraagt zich af waarom literatuur in het algemeen zo bar slecht verkoopt en vertelt verhit over dat hij de afgelopen tien jaar wel wat literaire aspiraties bij de sciencefiction en fantasy heeft zien ontstaan, alleen worden die niet bij de grote uitgeverijen ondergebracht. Selfpublishing is schering en inslag, iets wat aan de ene kant de mogelijkheden vergroot en het aan de andere kant het veel lastiger maakt om het kaf van het koren te scheiden.
“De grote uitgeverijen,” zegt Mike, “houden daarbij angstvallig hun marktaandeel in de gaten, maar gebruiken dat gelijk om hun (literaire) schrijvers minder te betalen, met uitzondering van de echte grootverdieners. Met als gevolg dat er nog minder talent aan bod komt. De uitgevers verdienen aan hun positie (gatekeepers), het minimaliseren van betaling aan auteurs en de vaste boekenprijs waardoor zowel uitgever als boekhandel in stand wordt gehouden.”
Johan: “Het is voor een deel een vicieuze cirkel. Aangezien er weinig sciencefiction- en fantasyboeken verkocht worden en de oplages klein blijven, durven grote uitgevers het niet aan meer sciencefiction en fantasy te publiceren. Dus zijn het selfpublishers en kleine uitgevers de markt bedienen en deze uitgevers hanteren geen of minder kwaliteitscriteria. Als de kwaliteit laag blijft, zullen minder mensen deze boeken gaan lezen. En dan kom ik weer terug bij de poortwachtersfunctie.”
Een ander probleem vormen de uitgevers die aan hun te publiceren schrijvers een bijdrage vragen, vindt de redactie. Daar verhinderen achterliggende commerciële belangen de ontwikkeling van de kwaliteit.
“Om het maar zo te zeggen,” concludeert Ninja droogjes, “uitgevers zien sciencefiction en fantasy soms echt wel zitten, maar alleen als zij het zien zitten.”

Waarom lukt het internationale schrijvers dan wel om (een vorm van) erkenning te krijgen en de schrijvers van eigen bodem niet, vraagt de redactie zich af. Het is een kwestie van beeldvorming, denkt het panel: sciencefiction en fantasy wordt nog gezien als ‘iets voor kinderen’. En waarom verkopen thrillers zo veel? Omdat het meer van hetzelfde is, waar blijkbaar een markt voor is. Zien we daarom nog steeds tolkieneske fantasy en dystopische sciencefiction?
“We zullen moeten schrijven wat we leuk vinden,” concludeert Mike, “met de ambitie die we op kunnen brengen proberen die kwaliteit te bieden die we ook van anderen verwachten. En dan zien we wel waar het schip strandt.”

Positieve ontwikkelingen
Niet alles is kommer en kwel, zoals al bleek uit de afloop van Pens interview.
Het nieuwste nummer van literair tijdschrift Terras Naar water is een 240 pagina’s dikke verzameling van (speculatieve) literatuur. Een citaat uit het redactioneel: “Wie naar water beweegt, belandt haast als vanzelf in de toekomst. En hoe dieper in de toekomst, hoe groter het tekort én het teveel aan water.” In dit nummer vinden we onder andere de gelauwerde Amerikaanse sciencefictionschrijfster Octavia E. Butler met het verhaal Spraakklanken, elegant vertaald door Han van der Vegt.
Bovendien komen we een bekende namen tegen, die ook aan het nummer van Tirade heeft meegewerkt: Renée van Marissing. Als Renée nou eens plaatsneemt in de jury van Edge.Zero? Als Fantasize nou eens een verkoopkanaal aanbiedt voor de verspreiding van Terras en Tirade? Als we onze netwerken nou eens aan elkaar koppelen? Als we als Fantasize nou eens mogen meekijken bij een redactie van een literair tijdschrift? Als zij eens bij ons komen snuffelen?

Fantasize wil de muur tussen literatuur en sciencefiction & fantasy slechten. Daarom kozen we het boekenweekthema Tweestrijd als onderwerp van de special, onder welke vlag deze discussie werd gevoerd. We kijken kritisch naar onze eigen achterban: confrontatie en samenwerking hoeft wat ons betreft elkaar niet in de weg te zitten. Immers: sciencefiction en fantasy is literatuur.

© Johan Klein Haneveld

Lees ook de conclusie van hoofdredacteur Karen van den Andel.

Bronnen

Goede fantasy is per definitie niet literair – Frank van der Lecq
Toekomstdenken – Jack Schlimalznik
Tirade – nummer 468 – Toekomstdenken
Terras – Naar water 
Interview Pen Stewart (gratis account aanmaken)
Wikipediapagina’s:
Sciencefiction
Geschiedenis van sciencefiction
Science fiction (Engels)

© 2020 – 2024 Fantasize

You cannot copy content of this page