web analytics
zaterdag, juni 22

Interview met Kim ten Tusscher – een gesprek op maat van een fantasyauteur – deel 3

Door Isabelle Plomteux

Vandaag heb ik het met Kim ten Tusscher over haar schrijfproces: van het bedenken van een fictieve taal tot het bijhouden van alle informatie die bij het schrijven van een lange (fantasy)serie komt kijken. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat we het gesprek, jawel, andermaal hebben gesplitst. Het vierde en laatste deel van het interview komt volgende week online. Daarin hebben we het onder meer over de masterscriptie die medefantasyauteur en master in de westerse literatuur Kirsten Groot aan Kim ten Tusschers Vertellingen van de Ondergang wijdde. Klik op ‘Deel 1‘ en ‘Deel 2‘ om de voorgaande delen te lezen. Maar nu eerst: schrijven.

Kim ten Tusscher aan het werk

Hoe begin je aan een boek? Is de manier waarop veranderd door de jaren?
Mijn eerste verhalen (Hydrhaga en de Lilith-trilogie) begonnen met een idee voor een hoofdpersoon. Vanuit hen ontwikkelde het verhaal zich verder. Jager & Prooi en de Vertellingen van de Ondergang kwamen voort uit de wereld die ik voor de trilogie al had verzonnen en dat geldt ook voor mijn komende verhaal. Ik word nieuwsgierig naar bijvoorbeeld culturen of gebieden die in het ene verhaal op de achtergrond spelen en ga in een nieuw verhaal op onderzoek uit.
In de eerste fase heb ik vooral mijn voelsprieten uitstaan. Ik lees, hoor en zie dingen en plaats eigenlijk alles wat op mijn pad komt in het verhaal dat ik wil gaan schrijven. Past het bij het personage? Voegt het een extra laag toe aan het verhaal? Of moet ik het naast me neerleggen? Zo kwam ik in de Historia een heel interessant artikel tegen waarbij het meteen begon te borrelen. Dat gaat in herschreven vorm een grote plek innemen in het komende verhaal.
Al die ideeën die me enthousiast maken, schrijf ik op in een notitieblok. Net zo lang tot ik een scene in mijn hoofd krijg die ik wel moet gaan schrijven. Dan kruip ik achter de laptop en begint het proces van op papier zetten. Vanaf dat moment zie ik wel waar het personage en het verhaal me brengen.

Werk je aan meerdere boeken tegelijkertijd? Of komen ze een voor een uit je pen?
Hoewel ik heel chaotisch schrijf (volledig organisch en de hoofdstukken niet eens op chronologische volgorde) komen de ideeën gelukkig heel overzichtelijk één voor één tot me. Pas als ik het einde van een verhaal nader, beginnen de ideeën voor een nieuw verhaal te komen. Eerst nog vrij rustig en op de achtergrond, maar vervolgens steeds nadrukkelijker. Daar ben ik erg blij mee. De verhalen die ik schrijf zitten ingewikkeld in elkaar, als ik dan ook nog inspiratie zou krijgen voor meer projecten zou ik gek worden.

Je schrijft organisch. Kan je even uitleggen hoe dat precies in zijn werk gaat en wat de voor- en nadelen zijn?
Als ik begin, heb ik slechts een vaag idee waar het verhaal me allemaal gaat brengen. Het meeste ontdek ik tijdens het schrijven. Toegegeven, ik heb altijd wel een verwachting van de richting die het verhaal op zal gaan, maar de praktijk heeft uitgewezen dat het altijd anders wordt.
Ik heb wel geprobeerd te plotten, dus alles van tevoren uit te denken en dan pas te gaan schrijven, maar ik vergeet personages en het verhaal wordt heel stroef. In plaats van dat de personages zich natuurlijk gedragen, druk ik hen in een keurslijf. Dat merk je als lezer ook. De personages denken niet zelf na, maar doen volgzaam wat ik hen opdraag.
En ik vind het ook geen fijne manier van schrijven, want het plezier verdwijnt volledig. Het is alleen nog maar een invuloefening.
Organisch schrijven is ook niet alles, hoor. Ik gooi regelmatig hele stukken in de prullenbak en begin opnieuw. Er is altijd een fase waarin ik helemaal vastzit en geen idee heb hoe ik het verhaal nog moet redden. Dat is soms erg frustrerend. Maar ik geniet over het algemeen enorm van deze manier van schrijven, omdat het voor mij ook verrassend is. En bij mij levert het verhalen op die veel geloofwaardiger zijn dan wanneer ik alles van tevoren zou uitdenken.

Hoe hou je bij zo’n lange reeks boeken alle personages uit elkaar en wat ze wanneer met wie beleven? Heb je daar een methode of hulpmiddel voor?
Wie wie is en wat ze meemaken, dat kan ik heel goed onthouden. Het probleem is eerder dat ik ook alle versies onthoud die hebben bestaan, maar uit het verhaal zijn verwijderd. Soms weet ik dus niet meer wat een boek heeft gehaald en wat niet.
Ik schrijf wel dingen op die ik wil onthouden, maar in de praktijk zijn dat nou vaak net de dingen die ik later niet meer nodig heb. Mijn manier om te zorgen dat alles klopt, is de eerdere boeken herlezen. Gelukkig weet ik vaak ook nog goed waar ik in een boek iets terug kan vinden.
Wat ik wel vaak doe om te zorgen dat personages consistent zijn, is een tijdlijn maken. Hoe verhielden personages zich tot elkaar? Welke kennis had iemand op welk moment? Zodat er niet ineens een enorme sprong in de ontwikkeling zit of dat iemand heel lang blijft stilstaan, terwijl er wel vooruitgang in zijn of haar ontwikkeling moet zitten. Dit doe ik dus meestal pas als ik al bijna klaar ben met het verhaal, als een controlemiddel.

Schrijf je vanuit je personages of vanuit gebeurtenissen?
Ik schrijf heel erg vanuit de personages. Natuurlijk moeten er op een gegeven moment bepaalde dingen gebeuren om het verhaal vooruit te helpen, maar dan nog bepalen voornamelijk de personages hoe die gebeurtenissen verlopen. Ik kan wel denken dat twee personages samen iets moeten doen, maar als zij niet door één deur kunnen, omdat er nog een ruzie uitgepraat moet worden, dan moet ik wel meegaan in wat zij willen.
Op het einde van de Vertellingen van de Ondergang gebeurt iets wat ik in eerste instantie ook heel erg had gestuurd. Dat zat me niet lekker, ik vond het niet geloofwaardig genoeg. Pas toen ik echt vanuit het personage (ik noem hem maar even A) ging schrijven, kwam de oplossing. Dat zorgde er wel voor dat er een aantal hoofdstukken moesten verschuiven en iemand (personage B) veel eerder gewond raakt dan in de oorspronkelijke versie. Wat bijzonder is: personage B stortte zich in de eerste versie in het onheil om wat er met A gebeurt. Maar in de uiteindelijk versie is juist het lot van B de reden voor A om te doen wat hij doet. Toen ik het had omgedraaid, voelde het meteen juist. Helaas moesten er wel ook veel stukken van personage B uit het verhaal of grondig herschreven worden. Dat laat ook wel zien hoe ingrijpend de veranderingen soms kunnen zijn.

Hebben personages meer vrijheid bij organisch schrijven, denk je?
Bij mij is dat in ieder geval wel zo. Soms heb ik nog ergens een hoofdstuk dat geschreven moet worden waarvoor alles al vast staat. Ik merk dat ik daarin veel meer de touwtjes in handen neem dan wanneer ik het verhaal kan laten gebeuren, met als gevolg dat de personages in de eerste versies van die stukken ook veel meer marionetten zijn. Volgzaam, zonder eigen wil.
Ik merk dat mijn personages dan ook tegenstribbelen. De verhalen die ik heb geschreven met een strak plot zijn ook lang niet zo goed als wanneer ik organisch schrijf. Al die stukken zijn uiteindelijk ook grondig herschreven of in de prullenbak beland.

Je hebt ook een (of meerdere) ta(a)l(en) bedacht en natuurlijk moest je voor ieder personage een geschikte naam verzinnen. Hoe pak je zoiets aan?
Wat namen betreft: ik koppel een bestaand gebied aan een land of volk in mijn boeken. Zo zorg ik ervoor dat alle namen wel dezelfde sfeer hebben. Voor Merzia zoek ik naar Oost-Europese namen, maar voor de mensen in Naftalia vertaal ik woorden uit het Lakota.
Ik heb inderdaad ook een aantal talen die in de verhalen voorkomen. Ik vind dat het sfeer geeft om af en toe een andere taal door te laten schemeren. Ik schrijf over een grote wereld en het is ongeloofwaardig dat iedereen dezelfde taal spreekt.
Het Merziaans heb ik nooit uitgewerkt. Maar af en toe komen er zinnetjes in het Naftaliaans of Kel Cornoens voor. Beide talen zijn verwant aan elkaar (wat heel handig is, want dan kunnen diverse personages elkaar wel verstaan) en het is een verbasterde vorm van het bestaande Tamashek. Voor de Inuuk heb ik het Inuktitut (de taal van de Inuit) als basis genomen. Ik pas het dan wel een beetje aan, zodat het gemakkelijker leesbaar is. Dat was trouwens nog wat toen Nealyn uitgescholden moest worden. Vaak kun je online wel scheldwoorden vinden, maar niet in het Inuktitut. Maar ik vond wel een woordenboek Engels – Inuktitut, dus ben ik zelf combinaties gaan maken.
Naast deze drie talen heb ik ook nog de taal van de magiërs. Ik wilde de spreuken die gebruikt worden iets vreemds meegeven, maar wel zo dat je als lezer met wat puzzelen kunt snappen wat er wordt gezegd. Het is een combinatie van klanken, Engels en een beetje Frans en dan vervormd. Ik denk dat je met deze kennis wel kunt verzinnen wat Liliths wisselspreuk betekent: “Qi stai qi, qi becouhme a drag”.
Ik vind het altijd erg leuk om de andere talen zo in de tekst te verwerken dat de lezer snapt wat er bedoeld wordt, zonder dat ik de letterlijke vertaling hoef te geven. Dat vraagt soms wat creativiteit en het lukt me niet altijd, maar af en toe een letterlijke vertaling is ook niet zo erg.

Een quote:
“Daqatulakan iglaak!”
“Naik inuk!”
Verschillende woorden, maar ze kwamen allemaal op hetzelfde neer. Ze hoorde hier niet, ze was een vreemde die niet welkom was.
Nealyn probeerde er geen aandacht aan te geven, maar de scheldwoorden kropen toch onder haar huid. Nog niet zo lang geleden hadden de mensen heel anders over haar gesproken.
“Giit kinnak!” Kwaadaardige gek!

© Pexels.com

Hoe krijg je inspiratie voor je verhalen? Zijn er bezigheden die daarbij helpen of net helemaal niet?
De meeste inspiratie komt vanzelf, maar wel weg van de laptop. Wat ik net al zei: ik plaats alles wat ik tegenkom in het verhaal waar ik aan werk en bepaal of het bruikbaar is. Ik houd ook erg van reizen en dat helpt natuurlijk ook. Andere culturen, landschappen die afwijken van het Twentse coulissenlandschap… daar gaat de inspiratie van stromen.
Maar ik ga ook wel doelbewust op zoek. Een deel van de Vertellingen van de Ondergang speelt op schepen, dus ben ik een paar keer naar het Scheepvaartmuseum in Amsterdam geweest. Echt op zo’n schip lopen is wat anders dan research via google.
En soms plan ik trips die me waardevolle informatie opleveren. Toen ik met mijn broer in Tromsø was, hebben we natuurlijk een tocht gemaakt met een hondenslee, want dat komt ook in mijn boeken voor. En in 2021 bezocht ik een actieve vulkaan.

Wat vind je het leukste aan schrijven? En wat het vervelendste?
Schrijven is iets wat helemaal uit mij komt en is gekomen. Ik ben opgegroeid in een creatief gezin en van jongs af aan stond vast dat ik iets creatiefs zou gaan doen. Maar ik weet eigenlijk niet zo goed of dat mijn eigen droom was of dat ik die kant op ben gestuurd door de omstandigheden. Ik kende in mijn jeugd niemand die ook schreef, dus dit is echt iets van mij. Mijn eigen vonk die ik koester.
Het creëren is geweldig. Vooral de momenten waarop alles ineens blijkt te kloppen. Ik zet soms iets in een verhaal waarvan ik niet precies weet waarom, maar later in de serie blijkt dat ineens heel handig of zelfs noodzakelijk om het verhaal voort te helpen. Ik blijf me verbazen hoe dat werkt.
Wat ik minder leuk vind, is het redigeren. Ik zie het verhaal in die fase groeien en dat vind ik erg fijn, maar ik ben geneigd me heel erg aan te passen aan anderen. In de fase van creëren hoef ik met niemand rekening te houden. Dan blijf ik heel erg bij mezelf. Maar tijdens de redactie ben ik me bewust van lezers en de mening van anderen en daar word ik soms heel onzeker van. Gelukkig weet ik inmiddels dat die fase er ook bij hoort en kan ik de twijfels beter naast me neer leggen en er op vertrouwen dat het heus wel goed is.

Heb je een vaste schrijfroutine? Kan je daar wat meer over vertellen?
Ik schrijf bijna fulltime. Ik heb er nog een baantje naast bij de AH to Go. De diensten die ik daar draai zijn heel wisselend, dus mijn schrijfschema pas ik daarop aan. Het schrijven is vooral gaan zitten in mijn schrijfkamer en typen. Ik heb wel gemerkt dat ik het beste werk in blokken van anderhalf uur. Daarna is mijn concentratie op en moet ik even iets anders gaan doen. Maar of ik nou aan het einde van de ochtend, overdag of ’s avonds schrijf, dat maakt me niet zo veel uit.

Hoe moeilijk was het om de eindscène van de reeks te schrijven?
Heel lastig en dan bedoel ik niet alleen het loslaten. Beeld je maar eens in: een gevecht tussen twee Goden die kunnen vliegen en magie hebben die sterk genoeg is om bergen te verwoesten in een omgeving die is ondergelopen met water en vulkanen heeft. En de dood is niet de oplossing, want dan vergaat de wereld alsnog.
Ach nee, beeld het je maar niet in. Je kunt het gewoon lezen in mijn boeken.

Volgende week, in het vierde en laatste deel van het interview met Kim ten Tusscher, komt de masterscriptie van medefantasyauteur en master in de westerse literatuur Kirsten Groot aan bod: Vrije wil, determinisme en identiteit in Vertellingen van de Ondergang. Daarnaast bespreken we hoe je meerdere lagen in een fantasyverhaal legt en hebben we het over het moreel kompas van personages.

 

© 2020 – 2024 Fantasize & Isabelle Plomteux

You cannot copy content of this page