web analytics
woensdag, februari 8

De Eekhaut-files – interview met Guido Eekhaut – deel 2

Door Isabelle Plomteux

Guido Eekhaut, foto © Wikipedia

Deel 2: Een tijdschrift, hoorspelen en non-fictie.
In dit tweede deel van de Eekhaut-files hebben we het met de auteur over alles wat hij schreef naast zijn talrijke romans en korte verhalen. En dat is heel wat. Guido Eekhaut bracht in zijn jonge jaren het tijdschrift Rigel uit en schreef lange tijd essays voor een aantal literaire en politieke tijdschriften. Daarnaast werkte hij meer dan een decennium als freelance journalist en interviewer voor onder meer De Tijd (België), Intermediair, De Standaard en Knack en schreef hij een aantal non-fictieboeken. Ook schonk hij correspondentie met Ursula Le Guin aan het Letterenhuis in Antwerpen. Genoeg gesprekstof dus.

Laten we beginnen bij Rigel. Online vond ik een weergave van het zesde nummer van de eerste jaargang, 1977. Het tijdschrift, dat tweemaandelijks verscheen en aandacht besteedde aan sciencefiction, fantastiek, horror en SF-film, was 50 pagina’s dik en kostte 30fr. Hoe oud was je toen je hiermee begon? Deed je het alleen of had je hulp?
Ah, Rigel. Of Wriggle, zoals Brian Aldiss het ooit noemde. Het was een fanzine. Ik was een erg jonge, dwaze en onbezonnen sciencefictionfan, en ik wilde met de grote jongens meespelen. Wat deed je in die jaren? Je publiceerde je eigen fanzine. Voor de rest heeft het hele ding geen enkel belang.

Eind jaren 80 tot begin jaren 90 bracht je je eerste romans uit, maar daarnaast schreef je in die periode ook zeven hoorspelen, die eveneens werden bekroond. Misschien eerst maar eens: wat is een hoorspel?
Hoorspelen. Tja, voor de huidige lezers klinkt dat als de prehistorie. Hoorspelen zijn radioscenario’s, waarin alles verteld wordt met geluid en stemmen. Het is vertellen in een zuivere vorm. Monoloog, dialoog, geluiden en zo verder. De VRT had toen een volledige ingerichte studio voor geluidseffecten. In het Nederlandse taalgebied lijkt het genre verdwenen, maar hoorspelen zijn nog steeds populair in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland en allicht ook elders.

Hoe kwam je ertoe om hoorspelen te gaan schrijven? Was dat in opdracht of kon iedereen een hoorspel aanleveren?
Ik was toen (1988) betrokken bij wat wellicht een van de eerste schrijfscholen in Vlaanderen was, die van Hans Devroe. Hij nodigde VRT-regisseur Flor Stein uit om iets over dat medium te vertellen. Wat later schreef ik zelf een hoorspel, stuurde het naar Stein, mocht bij de VRT twee keer een workshop van een week volgen. Terminus, dat in 1989 uitgezonden werd, kreeg zelfs de Sabam-prijs.

Waren ze makkelijker of net moeilijker te schrijven dan een roman/verhaal?
Het is een hele uitdaging (en aanpassing) om je verhaal zo op te bouwen dat alleen geluid en stem de drager zijn van actie. Dat leidt tot beperkingen, maar ook dat is de uitdaging. Het is niet zomaar het ‘vertellen’ van een verhaal, nee, er moet in geacteerd worden. De VRT had toen een groep bekende acteurs, die aan hoorspelen meewerkten. Ik heb het voorrecht gehad met een aantal onder hen te kunnen samenwerken. Een van die stukken schreef ik overigens samen met mijn goede vriend Robert Smets.

In het hoorspel Borges kwam ik het personage Lönnroth tegen, dat ook in een van je latere boeken opduikt (Het huwelijk van Tijd en IJs uit 2020). Ook Borges zelf is in twee hoorspelen van de partij. Verder lopen de ‘genres’ waaronder de hoorspelen vallen heel erg uiteen, Rimbaud is autobiografisch, Terminus is sciencefiction, Obsessie is psychologisch enz. Kreeg je de onderwerpen aangereikt, of kon je deze zelf kiezen?
Thematisch gezien waren er geen beperkingen. Als het maar technisch kon (hoewel mijn eerste, Lamouzères, een hele uitdaging was voor de technici). Het probleem is, dat je actie moet kunnen ‘uitbeelden’, zonder je in bochten te moeten wringen. Actiescènes bijvoorbeeld, een essentieel onderdeel van het verhaal van Lamouzères moesten voorzien worden van gesproken reacties, om de lezer toch een idee te geven van wat er aan de hand was. Je leert dus snel dat actie niet echt past in hoorspelen.

In 1995 ging je dan aan de slag als interviewer en journalist voor een aantal gekende kranten en tijdschriften. Hoe ging dat in zijn werk? Je kreeg een opdracht/onderwerp neem ik aan? Of had je ook hier een soort keuzevrijheid?
Ik stuurde een stuk naar Intermediair, een krant die toen in het bedrijfsleven en de universiteiten circuleerde. De hoofdredacteur bleek twee straten van mij vandaan te wonen. Ik mocht meteen meer insturen, voornamelijk over maatschappelijke vraagstukken, management en economie. Na enige tijd begon ik uit te breiden: de culturele bijlagen van De Tijd, en later Knack en het management maandblad Bizz (waarvoor ik de grote interviews deed). Het werd een tweede baan, ik denk dat ik toen zestig uren per week werkte.

Het leuke was, dat ik zelf mocht voorstellen waarover ik wilde schrijven. Ik dweilde allerlei congressen af en maakte verslagen, maar ik ging ook regelmatig naar Londen of Amsterdam om schrijvers, academici, politieke figuren en dergelijke te interviewen. Daar waren grote namen bij: Francis Fukuyama, Michael Palin, Peter Matthiessen, Robert Reich, Redmond O’Hanlon, Samuel Huntington, en ik vergeet er nog een heleboel.

Ik schreef zoveel, dat er jarenlang om de drie dagen ergens een stuk van mij verscheen, honderd per jaar. De belastingen vraten een goed deel van mijn inkomsten af, maar het was financieel niettemin de meest interessante periode van mijn schrijvende carrière. In 2008 was het afgelopen: crisis in de mediawereld, en niemand werkte nog met freelancers. Toen deed Jürgen Snoeren mij een voorstel, en ik was meteen daarna auteur van misdaadboeken.

Interessant was, dat voor een journalist alle deuren opengaan. Ik kon op plaatsen terecht waar de gewone sterveling niet kwam, zoals in het Britse Hogerhuis. Dankzij een Lord die ik over een boek interviewde mocht ik tien minuten een sessie van het Hogerhuis volgen. Ik kwam terecht in bedrijven, musea, academische instituten, en ontmoette mensen die ik anders nooit zou benaderd hebben. Het is vandaag allemaal goed voor verhalen tijdens lezingen en zo, maar uiteindelijk hou je er alleen herinneringen aan over.

Cover Orsenna Eterna

Tegelijkertijd publiceerde je essays voor een aantal literaire en politieke tijdschriften. Bestreken deze dezelfde onderwerpen als je interviews en journalistieke werk? Of stonden beide volledig los van elkaar? Welke onderwerpen kwamen zoal aan bod en in welke tijdschriften publiceerde je?
Dat soort dingen deed ik echt uit interesse. Ik schreef enkele jaren geleden nog een serie over de verschillende sociale aspecten van artificiële intelligentie (en artificieel bewustzijn). Maar ik schreef ook over de situatie van Chavez in Venezuela, over de opkomst van het internet (dat was midden jaren negentig) en in het algemeen over technologie, de toekomst, internationale politiek en alles wat mijn weg kruiste. Ik schreef ook toeristische stukken, of over literatuur, om het even wat. Maar niet over muziek of sport, dat dan weer niet. Een mens heeft z’n beperkingen.

In die periode schreef je ook je eerste romans over de fictieve metropool Orsenna. Een andere manier om het over dezelfde thema’s te hebben, of net niet?
Bij fictie hoef je je niet te laten beperken door de realiteit of door je eigen argumenten. Ongestraft kunnen je personages uitspraken doen die je in non-fiction niet wil aanpakken. Mensen zijn toch zo snel beledigd. In de boeken en verhalen schrijf ik ook op een meer algemene manier over de problemen van mens en samenleving, zonder dat het belerend moet zijn.
Tegelijk wil ik in fictie de lezer op een intellectueel niveau entertainen. Het hoeft geen filosofie te zijn, maar het mag ook geen dom vertier worden. Er is actie in mijn boeken, maar er wordt ook nagedacht en de personages zelf hebben doorgaans een bepaald intellectueel niveau. Het avontuur van de geest is even belangrijk als het cloak-and-dagger stuff.

In 1991 bracht je onder de titel Pelgrims en Barbaren voor het eerst een verzameling essays in boekvorm uit. Op boekbeschrijvingen.nl lees ik dat het onderwerp van de zeven essays niet-mimelische literatuur is en dat je utopische tendensen, entropie en fantastiek in het werk van een aantal auteurs bespreekt. Kan je dit even toelichten?
Elke keer wanneer fans en schrijvers van het fantastische genre samenkomen, wordt er over de definities, omschrijvingen en beperkingen van het genre (of de subgenres) gepraat. Ik hoor dat nu al bijna een halve eeuw aan. Op zich interessant: geen enkel ander ‘genre’ dat zo’n theoretische last draagt. Maar vermoeiend ook, want er blijkt geen eindpunt waarbij passende definities gevonden worden. De meest eenvoudige opdeling is deze: mimesis is de nabootsing van iets, in dit geval van ‘de realiteit’. Mimetische literatuur beweert de afspiegeling van die werkelijkheid te zijn (de ‘realistische’ of ‘naturalistische’ roman). Niet-mimetische literatuur is al het andere.

Natuurlijk is geen enkele roman de echte weerspiegeling van de realiteit, want het gebruik van een literaire taal impliceert reeds een afstand van de ‘realiteit’. Maar dat terzijde. Onder niet-mimetische literatuur valt dan letterlijk alles wat niet een afspiegeling te zijn, van surrealisme tot magisch realisme, van high fantasy tot horror. Sciencefiction, vreemd genoeg, zou dan eigenlijk tot de mimetische literatuur behoren, want het baseert zich op een wereld die in theorie mogelijk is, de ‘realiteit’ (lees natuurwetten) respecteert (desnoods met hypothetische maar mogelijke uitvindingen), enzoverder.
Alleen al het voorgaande leidt dan weer tot eindeloze discussies. Eigenlijk zijn die allemaal nutteloos en moeten we gewoon boeken lezen omdat ze ons aangrijpen, niet omdat ze tot een bepaalde ‘genre’ behoren. Ik raad dan ook jonge auteurs aan om buiten elk ‘genre’ te lezen.

Begin jaren 2000 verschenen dan de non-fictie boeken Op het lijf geschreven, De filosofie van het neen en Waarheid en werkelijkheid. Komen er in de toekomst nog non-fictie boeken?
Ja, indien er een uitgever daarvoor gevonden wordt. Maar het zullen dan praktische boeken zijn, geen cultuurfilosofie of zo, of literatuuronderzoek. Het boek dat bij Clavis in de zomer van 2023 verschijnt, is het uitvloeisel van twee activiteiten: futurologie en sciencefictionschrijven. Ik wil enkele trend aangeven, toekomstvisies als je wil, die kunnen helpen bij het schrijven van speculatieve fictie. Voor zover iemand van mij wat te leren heeft.

Cover non-fictieboek Waarheid en werkelijkheid

Waar ligt je voorkeur: bij het schrijven van non-fictie of fictie? Of maakt het niet uit? Benader je non-fictie boeken anders? Ander schrijfproces?
Ik heb lange tijd geen non-fiction meer geschreven, omdat het moeilijker werd mijn gedachten te ordenen. Fictie heeft het voordeel dat je je eigen ideeën kunt laten vloeien, zonder dat je een strikte logische conclusie moet aanvoeren, een stelling, wat dan ook. Het nieuwe non-fiction boek, dat ik voor de oudere jeugd heb geschreven, is de neerslag van het werk dat ik enkele jaren geleden als futurist deed, waarbij ik enkele zinnige dingen probeerde te vertellen over wat de toekomst mogelijk in petto heeft. Of veeleer: over de manier waarop wij door het vertellen van verhalen het publiek op ‘de toekomst’ kunnen voorbereiden. Zonder dat we daarbij moeten hopen de toekomst ‘juist’ te hebben.

Het boek heet: De Toekomst schrijven, omdat ik de nadruk leg op welke visies vandaag bestaan, en hoe wij verhalen kunnen verzinnen over toekomsten die niet noodzakelijk ‘correct’ zijn maar ons wel op de toekomst kunnen voorbereiden. De toekomst blijft een uitdaging, precies omdat we er niets met zekerheid over kunnen vertellen. We mogen er echter niet bang voor zijn, wel voorbereid. En dat voorbereiden doen we door verhalen te vertellen — een activiteit die futuristen en SF-schrijvers gemeenschappelijk hebben.

Tot slot: brieven naar Ursula Le Guin? Bracht je nog andere brieven onder in het Letterenhuis? Was je een regelmatig briefschrijver?
Oh, ik heb maar enkele brieven met haar gewisseld. Wat het Letterenhuis betreft: ik besef dat mijn nakomelingen geen blijf zullen weten met mijn archief, en ik ook niet wanneer ik kleiner ga wonen. Dus was het Letterenhuis een goede oplossing. Mijn correspondentie is hoe dan ook beperkt. Voor de rest heeft het Letterenhuis nu mijn voornaamste journalistieke werk, exemplaren van publicaties waarin verhalen verschenen, een aantal manuscripten van oude verhalen en langere teksten. Later krijgen ze nog de notaboeken en de dagboeken, maar daarover ga ik nog nadenken.

Lees ook deel 1 en deel 3.

 

© 2020 – 2023 Fantasize & Isabelle Plomteux

You cannot copy content of this page