web analytics
woensdag, februari 1

De Eekhaut-files – interview met Guido Eekhaut – deel 1

Door Isabelle Plomteux

Auteur Guido Eekhaut schrijft al meer dan 40 jaar. Inmiddels heeft hij 60 boeken en ongeveer 150 verhalen uitgebracht, bij grote en iets minder grote uitgeverijen in Vlaanderen en Nederland. Hoog tijd vonden we bij Fantasize voor een uitgebreid overzichtsinterview met deze diverse schrijver die zowel romans, thrillers, fantasy, sciencefiction als young adult op zijn palmares heeft staan. In 2009 kreeg hij de Hercule Poirot Prijs voor zijn thriller Absint. Verder werden hij en zijn vrouwelijk alter ego, Nellie Mandel, diverse malen genomineerd voor de Gouden Strop en de Diamanten Kogel en in 2021 werd Eekhaut genomineerd voor de Gouden Vleermuis Oeuvre Prijs.
Vandaag het eerste en meteen ook langste deel van dit grote interview: Romans en pseudoniemen.
Volgende week hebben we het in deel twee over tijdschrift(en), hoorspelen en non-fictie. Tot slot gaan we in het derde en afsluitende deel dieper in op Eekhauts leven als schrijver. Bij dit laatste deel zal een chronologische lijst gevoegd worden met alle tot nog toe verschenen publicaties.

Guido Eekhaut, foto © eigen foto

Dag Guido. Fijn dat je ons te woord wil staan. Wanneer ben je eigenlijk met het schrijven van fictie begonnen?
Na enkele amateuristische pogingen, in 1978. Toen verschenen verhalen van me in professionele bloemlezingen (waaronder Ganymedes, toen nog bij Bruna). Ik scoorde ook hoog in de toenmalige King Kong Award, de voorloper van de Harland Award. Eind 1980 kwam onder de titel Labyrinten een bundeltje verhalen uit, gepubliceerd door Rudi Vanschoonbeek, die later mijn uitgever bij Vrijdag zou worden. Ik schreef ook al voor fanzines, literaire tijdschriften en de culturele bijdragen van kranten.

Kan je je eerste publicatie nog herinneren? Wat voor soort boek/ kort verhaal was het? Tot welke genre behoorde het?
Het zal science fiction geweest zijn, maar waarschijnlijk niet in de klassieke betekenis van die term. Nee, ik had toen al te veel J.G.Ballard gelezen. En Borges ook. SF dus, maar op mijn eigen manier.

Je eerste roman, De cirkeljaren, verscheen in 1986 bij De Clauwaert en won de Prijs van de Stad Brussel. Kan je daar wat meer over vertellen?
Ik zag een meisje op de trein en wilde over haar een verhaal schrijven. Ze eindigde als mijn hoofdpersonage in een post-apocalyptische wereld waarin de meesterwerken van de voormalige beschaving opnieuw geschapen moesten worden. Verder weet ik over dat boek niets meer. Het verscheen bij een traditionele Vlaamse uitgever die blijkbaar goede literaire connecties had, vandaar de prijs.

In welke genres heb je de volgende jaren geschreven?
Ik las allerlei soorten sciencefiction (van fantasy was er in die jaren nauwelijks een spoor te bekennen). Ik ontdekte het genre dankzij The Dragon Masters van Jack Vance, maar naast de Golden Age-sciencefiction (die van Asimov en Heinlein) ontdekte ik eind jaren zestig, begin jaren zeventig, ook de New Wave en de door meer literaire pretenties geplaagde auteurs zoals Thomas Disch, Brian Aldiss en Ursula Le Guin. Dan waren er ook nog Philip Dick, een veeleer middelmatig schrijver met bizarre ideeën, Alfred Bester, Theodore Sturgeon en nog veel meer.
Ik veronderstel dat een aantal van mijn vroegere verhalen min of meer door die auteurs werden beïnvloed. Maar al gauw ging ik ook Borges en Nabokov lezen, en ‘literatuur’, en nog meer van de (Britse) New Wave auteurs, en dus kwam ik niet terecht in de valstrik van het ‘genre’.

Als je erop terugkijkt, valt er dan een soort patroon in je oeuvre ontdekken?
Als er al zoiets is als een algemeen kenmerk, dan is het mijn onwil om een etiket opgeplakt te krijgen, me te beperken tot een enkel genre, mezelf te herhalen. Ik wil altijd nieuwe dingen doen, omdat ik ook een lezer ben van zeer uiteenlopende boeken, die mij dan allemaal ergens naartoe sturen.
Het is ook een kwestie van markten. Op zeker moment ontdek je dat een bepaald soort verhaal nergens meer een thuis vindt. Echt last had ik daarvan niet. Ik schreef mijn moeilijk te klasseren verhalen en werd door literaire tijdschriften gepubliceerd en kreeg zelfs enkele prijzen. Vandaag lijkt dat moeilijker, omdat het in de weinig resterende literaire tijdschriften gaat om verhalen die een persoonlijke of sociale relevantie moeten hebben. Die, met andere woorden, ‘doorleefd’ moeten zijn, een term waaraan ik een hekel heb. Hebben Borges en Tolkien hun verhalen ‘doorleefd’?

Ik sta dus heel ver af van een bepaalde stroming die de nadruk legt op de eigen ervaring, de eigen trauma’s, de eigen navel — hoe geliefd die thema’s ook zijn bij een deel van het lezende publiek. L’Imagination, bordel! roep ik dan, ten voordele van mijn meertalige vrienden en publiek. Als je als schrijver niet uit je eigen leven, omgeving en ervaringen kunt klimmen, waar dien je dan voor?

Kan je even overlopen welke boeken er de laatste jaren van je zijn verschenen en in welk genre ze thuishoren?
Toen in 2009 Absint en Rode aarde verschenen, waren dat mijn eerste boeken in het spionage- of misdaadgenre. Dat heb ik in grote mate aan Jürgen Snoeren te danken, die mijn uitgever was bij Minx/De Boekerij. Voordien publiceerde ik meestal boeken die wat moeilijk te klasseren waren (zoals de verschillende Orsenna-boeken) of naar de fantasy negen, zoals de twee die bij Bert Bakker verschenen. Hetzelfde wat verhalen betrof.

Ik heb ondertussen al een stapel zogenaamde misdaadboeken geschreven, eerst bij Manteau en dan bij Vrijdag, die gaandeweg steeds verder afdwaalden van de geplogenheden van het misdaadgenre.

De recente evolutie is die richting jongvolwassenen. Ik ben voor Clavis gaan schrijven, en daar kon ik ‘echte’ sciencefiction kwijt (de Enigma/Nomade-serie) of misdaad/psychologische roman (zoals Eeuwig). Er volgt in die categorie nog meer, ook non-fiction.

Je zoekt vaak de grensstreek tussen genres op, zegt men. Is dat zo? Wat bevalt je daaraan?
Literaire grensstreken zijn zo interessant als hun geografische evenknie. Daar ontstaan de conflicten, de avonturen, de evenementen. Op die plekken waar allerlei creatieve impulsen elkaar ontmoeten, in de interstices van literaire trends en genres, gebeuren de meest interessante dingen. Kijk maar wat auteurs als M. John Harrison en China Miéville doen, of Nick Harkaway of Jonathan Lethem, of soms Richard Powers. Welke verbeelding, welke creatieve uitspattingen, welk begeesterend taalgebruik! Hebben we dat ook in ons eigen taalgebied? Ik weet het niet. Ik verneem het graag.

Ook thematisch gezien zijn die grensgebieden interessant. De uniforme oude thema’s zijn uitgeput. Ik keek recent naar twee blockbusters (films, bedoel ik) en voelde me bedrogen (Top Gun Maverick en Black Panther) en dacht: wat een onzin. Top Gun Maverick is bijna letterlijk een herwerking van de eerste Star Wars-film. Dan zie ik (de tv-serie) Severance, bijvoorbeeld, en ik denk: dit is geniaal. Waarom? Omdat Severance de grenzen van genres negeert, en narratief gezien risico’s neemt. Maar daar zit het probleem: uitgevers nemen geen risico’s meer en houden het bij de internationale bestsellers, de TikTok-boeken en andere koude pap. Ik weet het: ze moeten hun personeel en aandeelhouders betalen, en geen uitgever kan met verlies werken.

Cover Absint

Sommige van je thrillers verschijnen onder het pseudoniem Nellie Mandel. Is je schrijfstijl of de manier waarop je de plot neerzet (of de plot tout court) anders wanneer Nellie Mandel de auteur is?
Mijn vrouw leest de boeken van Nellie graag, en blijft volhouden dat die beter zijn dan sommige van mijn eigen boeken. En op de een of andere manier zijn die boeken ook ‘anders’ dan de rest. Het zal ook aan de omgeving (Canada) en aan het vrouwelijke hoofdpersonage liggen. Ik doe dat echter niet bewust. Wel blijf ik wat de boeken van Nellie betreft dichter bij het klassieke beeld van de misdaadliteratuur, namelijk een detective (vrouwelijk, in dit geval, en politiechef) die ergens in een specifieke locatie (Prince Edward Island) misdaden oplost.
Het leuke eraan is, dat een land als Canada je vele mogelijkheden geeft om het landschap uit te buiten, en de leegte, iets wat we in ons overdrukke land niet kennen. Ik hou daarom ook zo van Amerikaanse literatuur, vanwege de wijde landschappen en de wijde steden, en de bewegingsvrijheid die mensen er hebben.

Met je thrillers ben je verschillende malen genomineerd. Toen je eerste thriller Absint verscheen, in 2009, won hij zelfs meteen de Hercule Poirotprijs. Ook de eerste thriller van je alter ego Nellie Mandel, die eveneens dat jaar uitkwam, was toen genomineerd. Hoe verliep dat, die dubbele nominatie? Wist men dat jij Nellie Mandel was?
Het is een lang verhaal, altijd goed bij een lezing of voordracht. Het komt er in het kort op neer dat zowel ik als ‘Nellie’ genomineerd werden voor diezelfde Poirot, en dat de onthulling van haar identiteit (door mij) voer was voor enige journalistieke belangstelling. Meteen daarna ging de aandacht van het publiek weer naar de amoureuze conflicten van sterretjes uit de mediawereld. Ik heb genoten van mijn vijftien munten faam. Het enige publieke optreden van ‘Nellie’ was de uitreiking van de Gouden Strop enkele jaren geleden, waarvoor haar derde boek in de shortlist stond. Ik ben dan gewoon als mezelf gegaan. Het is een spelletje, meer niet.

Ik verdenk je ondertussen trouwens van meerdere pseudoniemen. Wie is bijvoorbeeld Gie Vanhout?
Gie Vanhout was het verzinsel van Lannoo, als schuilnaam voor het Beau Séjour-boek dat ik voor hen schreef, en dat parallel aan de tweede serie van die tv-reeks in Vlaanderen verscheen. Ik heb wel eerder zogenaamde tie-in romans geschreven voor uitgevers [Wolven, Witse, red.] of occasionele boeken voor het een of andere project, en heb op die manier voor zo’n twintig uitgevers gewerkt.

Hoe werkt dat, schrijven op bestelling? Benader je zo’n boek anders dan boeken die uit zichzelf verrijzen? Stop je er stiekem toch wat van je eigen ideeën in? Of hoeft dat niet stiekem, krijg je die vrijheid?
De eerste stap is, dat een uitgever je vraagt om zo’n boek te schrijven, met als basis een tv-reeks (of een ander project). Ik kijk dan of het een soort boek is dat ik wil of kan schrijven. Als het misdaad en spionage is, lukt dat best. Bij de Wolven-boeken geeft alleen het tweede deel de serie weer (in verkorte vorm), terwijl ik de vrije hand kreeg in het eerste en het derde deel. Andere boeken volgen doorgaans een stramien dat door de uitgever en de productiemaatschappij wordt bepaald. Ook dan heb je bepaalde creatieve vrijheden. Er zitten altijd mijn eigen ideeën in, want geen van die boeken is geschreven op basis van een bestaand scenario (op die ene uitzondering na), ook het Beau Séjour-boek niet.

Op bestelling schrijven is een uitdaging omdat er bepaalde beperkingen zijn, maar je verdient er iets meer mee dan met je eigen boeken. Het voordeel is, dat de achtergronden al bestaan. Minder werk om die te bedenken dus. Wel moet je binnen dat bepaalde kader werken, maar een professioneel schrijver moet dat kunnen.

Ook de thrillers die je onder je eigen naam uitbrengt, verschillen van elkaar. Sommigen zijn meer op actie gericht, andere zijn eerder psychologisch of historisch. Plan je dat op voorhand? Of zijn het de verhalen die beslissen hoe ze willen uitgewerkt worden?
Ik beslis van bij de aanvang welke stijl ik gebruik, maar dat heeft te maken met het verhaal en met de periode waarin dit verhaal zich afspeelt. Historische tijdperken en culturen hebben hun eigen taal, hun eigen vorm van vertellen. Het extreemst ging ik in Kingston Noir (ook genomineerd voor de Gouden Strop, hoewel Manteau toen al besloten had niet met mij verder te werken), waarin ik het Patois van de bewoners van die stad in het Nederlands moest weergeven. Dat soort dingen maakt het schrijven ook leuk, omdat het een extra uitdaging is.

Je schrijft geen conventionele misdaadboeken zeg je zelf. Waarin wijken ze af van de genrestandaard?
Ik hou afstand tot de conventionele misdaadroman waarin een knorrige en/of door een zwaar verleden geplaagde politie-officier in een provinciestad misdaden oplost, in Vlaanderen een populair genre. Ik schuw zoveel mogelijk alle clichés van het genre, tenzij ze me goed uitkomen. Arletta Browning in de boeken van Nellie Mandel valt wel een beetje onder de voorgaande beschrijving, maar verder dwalen ook die boeken (overigens genomineerd voor diverse prijzen) ver af van alle conventies.

Het klassieke stramien, waarbij de lezer mede de misdaad kan oplossen en daarvoor alle elementen aangereikt krijgt, is zo een cliché, dat ik er niet in de buurt kom. Belangrijker vind ik de oorzaken en redenen, de motieven en de ontwikkeling van personages, de manier waarop ze zich in de knoei werken, de manier waarop anderen het raadsel (waarvan de premissen al bij de lezer bekend zijn) ontrafelen.

Schrijf je dan ook geen conventionele speculatieve fictie?
Zo weinig mogelijk. Overigens is die beschrijving zo ruim en veelomvattend, dat het geen moeite kost om de clichés te vermijden, of er een nieuwe draai aan te geven.

Cover Stappers

Behoort jouw ‘fantastische’ werk volledig tot de sciencefiction of zijn er boeken die je onder fantasy zou klasseren?
De Orsenna-boeken (die verschenen bij de onvolprezen Roelof Goudriaan en bij zijn verschillende uitgeverijen waarvan Het Verschijnsel de meest recente incarnatie is) vallen zoals van mij te verwachten was ergens tussen beide genres in. Oorspronkelijk liet ik me inspireren op de Viriconium-boeken van M. John Harrison, later kwamen er andere invloeden. Een fictieve en eeuwenoude stad is het perfecte decor voor avonturen die in tijdloze sequenties te vertellen zijn. Ik volgde min of meer een historische lijn, parallel aan onze middeleeuwen, naar de Renaissance. Het staat iedereen vrij dat fantasy te noemen, of sciencefiction, of wat dan ook. Daarna waren er de Stappers-boeken bij Vrijdag, een poging om eigen, Nederlandstalige sciencefiction/fantasy/avontuur te lanceren, maar er was nauwelijks een publiek voor. Ik veronderstel dat al de would-be auteurs van fantasy en aanverwante zelf ofwel weinig in het genre lezen, of alleszins geen origineel Nederlandstalig werk, waarmee ze tegelijk enige ontwikkeling van hun eigen markt saboteren. Ik ben daarin overigens even schuldig als zij.

In een interview op Hebban las ik dat je misdaadboeken vermomde literaire romans zijn. Geldt dat ook voor je speculatieve en ‘fantastische’ boeken?
Ik weet eerlijk gezegd niet wat dat is, een literaire roman. Want bestaat er dan zoiets als een niet-literaire roman? Het is een etiket wat door uitgevers wordt gebruikt, om lezers en kopers te leiden. En te misleiden. Ik bedoelde waarschijnlijk dat ik geen onderscheid maak tussen wat doorgaans als ‘genre’ wordt aangemerkt, en de rest. Ik ben overigens altijd in de war wanneer ik in (Vlaamse) boekhandels (van de Standaard-keten) binnenwandel en de panelen zie: ‘Literatuur’, ‘Romans’ en ‘Spanning’. Hoe kun je nu in godsnaam boeken in die categorieën opdelen?

Mijn boeken hebben een hoog ‘literair’ gehalte, omdat ik afstand probeer te houden van alles wat naar puur ‘genre’ neigt. De Angelsaksische wereld kent die beweging al enkele decennia, maar in de conservatieve Nederlandstalige uitgeverswereld volgt men daarin zelden of niet. Maar die wereld heeft problemen: steeds meer lezers lezen in het Engels.

Sluiten ‘puur’ genre en een hoog literair gehalte elkaar dan uit voor jou? En heb je het dan over scienceficton en fantasy, of ook over misdaadromans?
Ook over misdaad. Maar ‘puur genre’ sluit een literair gehalte niet uit, nee, al zijn echt goede literaire genreromans zeldzaam.

Je hebt ook gewerkt als journalist en interviewer en schreef essays. [Deze aspecten van Eekhauts schrijverschap komen in het tweede en derde deel van het interview aan bod – red.] Heeft dit het schrijven van je fictieboeken beïnvloed? Zo ja, hoe?
Het dozijn jaren werken als journalist heeft me discipline bijgebracht, een belangrijk element wanneer je echt wilt gaan schrijven. Je wordt verwacht binnen vier dagen een stuk te hebben van achthonderd woorden over onderwerp X, volgens een specifiek stramien. Dat is wat anders dan hobbyschrijvers die ‘eventjes een verhaaltje willen plegen’ wanneer ze er zin in hebben.

Het heeft me ook geleerd dat je research stevig moet aanpakken, maar niet meer dan je strikt nodig hebt. Als je een boek schrijft, moet je een en ander weten over de achtergronden van plaats en tijd waar het verhaal speelt. Toen ik Absint schreef, moest ik gaan uitzoeken hoe dat zat met de toenmalige Nederlandse politieke situatie, de werking van de AIVD en dat soort dingen. Als je een verzonnen wereld beschrijft, moet je ook aan research doen, omdat je je eigen wereld vorm en kleur moet geven (die moet intern consistent zijn).

Maar je moet daarin niet overdrijven. Je hoeft echt geen drie jaren onderzoek te doen en een half jaar in een ander land door te brengen om er een boek over te schrijven. Er zijn allerlei trucjes om je achtergronden echt te laten lijken, ook zonder te veel aan research.

Je zei het daarnet al, in 2019 heb je voor het eerst een youngadultboek uitgebracht. Was daar een specifieke aanleiding voor?
Young adult is geen apart genre, maar een categorie, gebaseerd op leeftijd. Voor de jongvolwassenen kan je allerlei dingen schrijven, die je ook voor volwassenen schrijft. Het begon allemaal met twee sciencefictionboeken die ik voor de Amerikaanse markt had geschreven, maar mijn agent daar wees me erop dat je in de VS beter maar in één genre actief bent, en ik ging al voor de misdaad. Dus hertaalde ik die boeken naar het Nederlands en bood ze aan jeugduitgevers in Nederland en Vlaanderen aan. De meeste reageerden niet, maar Clavis wel, en zelfs zeer enthousiast.

Cover Infinity

Met uitzondering van je youngadultboeken schrijf je meestal romans die, ook al behoren ze tot een reeks, op zichzelf staan. Toeval of bevalt dit jou beter? Zo ja, waarom?
Ik hou niet zo van reeksen. Ik ken een aantal auteurs van misdaadreeksen die uitsluitend reeksen schrijven, en ik bewonder hun professionaliteit en doorzettingsvermogen, maar tien boeken schrijven over dezelfde detective in dezelfde stad, nee, dat laat ik aan mij voorbij gaan. Als ik schrijf, wil ik me amuseren. Mijn langste ‘reeksen’ tellen drie boeken. Dan stopt het en moet ik wat nieuws doen, gedreven door die creatieve koorts naar vernieuwing. Ik kan het niet verhelpen. Commercieel gezien is dat niet een goed idee: reeksen met bijna identieke boeken, dat verkoopt goed.

Werk je aan verschillende fictieboeken tegelijkertijd? Indien ja, beïnvloeden de schrijfprocessen elkaar soms?
Ja, en nee. Ik probeer de eerste versie van een boek in een trek te schrijven. Dat kost me een twee of drie maanden, soms minder. Dan mag dat boek opzij, en ben ik met wat anders bezig. Redactiewerk voor een uitgever, voor mezelf, een verhaal, wat dan ook. Het klinkt ingewikkeld, maar ik doe dit dan ook al lang. Het komt er op neer dat er een reeks van projecten zijn, waaraan ik werk, en die ergens in een soort pijplijn zitten, van boeken waarvan alleen de eerste hoofdstukken bestaan tot deze richting eindredactie bij de uitgever.

Wat zijn de meest gedenkwaardige momenten uit je lange fictiecarrière?
De weinige moment van plotse en onverwachte maar altijd bescheiden roem, die steeds van korte duur zijn. Zo gaat het met schrijven: enkele hoge toppen, en de rest is ploeteren. Het winnen van de Hercule Poirot en wat daar omheen ging is een lichtend voorbeeld. Anderzijds vermijd ik het om te veel publiek te gaan. Populariteit is voor een schrijver veeleer een plaag dan een zegen.

Hoe heb je het boekenvak door de jaren heen zien evolueren? Hoe kijk je daar tegenaan?
Ik heb onlangs ontdekt dat ik voor zo’n twintig uitgevers heb gewerkt. Sommige maar voor een enkel boek, in opdracht en zo, andere waar ik jarenlang voor schreef. Sommige waren grote uitgevers (De Boekerij, Bert Bakker, Manteau), en andere waren kleine eenmansbedrijven (Pandora, Het Verschijnsel). Allemaal hadden en hebben ze hun eigenheden. Er is overigens een groot personeelsverloop in die sector, en zelf laveerde ik voortdurend van de ene uitgever naar de andere. De meeste ervaringen waren positief, sommige minder, al waren ze ook niet allemaal even professioneel bezig met hun zaken. Ik heb op één uitzondering nooit ingestaan voor de publicatie van mijn eigen boek, en wil dat ook zo houden.

De ervaringen lopen dus uiteen. Er zijn kleine uitgevers die een professionele benadering van hun vak bezitten, een betere zaak waardig. Dat zie je aan het eindproduct, en aan de manier waarop schrijvers er benaderd worden. De situatie is vandaag echter precair: de energiecrisis dwingt mensen te bezuinigen, en dus worden er minder boeken verkocht. Ik stuur manuscripten her en der, en een goed deel van die uitgevers (zelfs de meest professionele) antwoorden niet. Anderen willen mijn boeken nu helemaal naar het digitale terrein verschuiven, een minuscule markt. Het aanbod verschraalt, zeker in de boekhandel. Maar de boekhandel zal niet noodzakelijk nog het kanaal zijn langs waar je interessante en uitdagende boeken betrekt. Die tijd is voorbij.

Er zijn verschuivingen in het vak, die maken dat het fysieke boek niet langer meer dominant zal zijn, maar tegelijk verschuift het vertellen van verhalen naar andere media en kanalen. In zelfuitgegeven boeken geloof ik niet, evenmin als in de meeste POD-uitgevers, al zijn er enkele die semiprofessioneel werk leveren in hun begeleiding van auteurs. Momenteel scoort het misdaadgenre nog goed, maar ik heb de indruk dat ook daar vele auteurs in de problemen raken, en het aanbod verschraalt. Sciencefiction en fantasy zijn helemaal nichemarkten, ondanks de grote belangstelling van het publiek voor film en tv in die genres.

Tot slot: Waar werk je momenteel aan? Wat kan de lezer nog verwachten?
Op dit ogenblik verzameling ik informatie en materiaal voor een non-fictionboek dat ik voor een jeugduitgever ga schrijven. Hiervoor moet ik echt wel gedegen research doen, al zal her en der de een of andere mening van mij wel voor kabaal zorgen. Dat zal ook zo zijn wanneer in de zomer van 2023 een jeugdboek met toekomstvisies verschijnt waarin ik me een voorstander van kernenergie toon. Kabaal is altijd goed, zolang iedereen beschaafd blijft. Ik ben streng wat de moraliteit van mijn vrienden op Facebook betreft, dus daar zal het wel rustig blijven. Het voordeel van Facebook is, dat je de querulanten er meteen weer uit kunt gooien.

Daarnaast liggen hier verschillende manuscripten, het ene al wat ouder dan het andere, maar ik vrees dat in de huidige context en klimaat in de uitgeverswereld, deze onuitgegeven gearchiveerd zullen worden, misschien om binnen dertig jaren herontdekt te worden, en postuum te verschijnen. Gezien ik dan al dood ben, zal dat mij geen zorg zijn. Ik wil nog wat verhalen schrijven, maar de meeste tijdschriften die mijn verhalen vlot opnemen, hebben daar al een voorraad van.

Lees ook deel 2 en deel 3.

 

© 2020 – 2023 Fantasize & Isabelle Plomteux

 

You cannot copy content of this page