web analytics
zaterdag, juli 13

Thema 20 dagen JKH: Essay – Passie en professionaliteit

Door Johan Klein Haneveld

In het kader van ‘twintig dagen Johan’ op Fantasize daagde de redactie me uit mijn visie te geven op het fantastische genre in het Nederlandse taalgebied. Als iemand die al twintig jaar publiceert en bovendien veel leest van wat er aan Nederlandse en Vlaamse SF- en fantasy verschijnt (zie de meer dan 170 recensies van Nederlandstalige genreboeken die ik op Hebban heb geplaatst), zou ik daar vast wel ideeën over hebben. Die heb ik zeker. De meeste schrijvers zijn behoorlijk eigenwijs. Zet ze bij elkaar en er ontstaat al snel hevige discussie. Ik ben me ervan bewust dat ik mijn eigen stokpaardjes heb en ik weet dat ik op sommige terreinen oogkleppen draag. Daarom vroeg ik enkele bevriende kennissen en critici om met me mee te denken.

Positief
Er verschijnen op pagina’s als Fantasize wel eens opiniestukken die betogen dat het somber gesteld is met het fantastische genre in Nederland en de kwaliteit van de bij ons gepubliceerde boeken. Maar de schrijvers van die artikelen kijken door een donkere bril. Te donker.
Wie er oog voor heeft, ziet in Nederland en Vlaanderen een groep enthousiaste schrijvers, die elk jaar opnieuw weer mooie boeken afleveren. Op Vonk noteerde Tom Kruijsen dat in 2020 bij zijn weten in het Nederlandse taalgebied 44 boeken waren verschenen (waarvan 30 fantasyboeken en 9 SF-boeken). In 2019 telde hij 35 Nederlandstalige fantasyboeken. Het gemiddelde over de laatste vijf jaar ligt iets boven de veertig. In mijn humeurige buien kan ik dan wel eens klagen over een gebrek aan originaliteit en een overvloed aan standaard fantasyverhalen, maar het feit is dat niet alle lezers dezelfde smaak hebben als ik. Veel lezers willen bij het lezen in een warm bad van herkenning terechtkomen en hoeven niet door een geheel nieuwe insteek verrast te worden. Bovendien creeeren alle boeken samen een publiek voor Nederlandstalige SF en fantasy waardoor ook meer experimentele boeken of boeken met een originele insteek lezers kunnen vinden. “Je moet die massa en dat enthousiasme hebben,” stelt Jasper Polane, uitgever bij uitgeverij Quasis. “Ook al vind jij misschien hun boeken niet helemaal je van het.”

Schrijvers van korte verhalen zitten ook niet stil. In Fantastische Vertellingen publiceerde Mike Jansen een analyse waaruit bleek dat er meer korte verhalen worden geproduceerd dan ooit. Er zijn in 2021 in totaal 165 verhalen ingestuurd voor Edge.Zero. Dat is niet niks! Ik zie ook de samenwerking van schrijvers rond bundels als ‘Auteurs voor Australië’ en ‘Voorbij de storm’ als een positieve ontwikkeling. Bovendien durven uitgevers in toenemende mate interessante projecten te ondernemen, zoals de reeks ‘De zwijgende aarde’ van Quasis en de manuscriptenwedstrijd van Zilverspoor. Binnen het Nederlandstalige genrewereldje wordt bovendien van alles georganiseerd. Enkele verhalenwedstrijden zijn dan wel gestopt de afgelopen jaren, er zijn weer andere voor in de plaats gekomen. Zo organiseert Godijn Publishing elk jaar een verhalenwedstrijd, die zelfs resulteert in een verhalenbundel. Sinds 2013 is de St. Fantastische Vertellingen weer actief en publiceert naast het tijdschrift Fantastische Vertellingen jaarlijks de bundel Ganymedes. Edge.Zero organiseert sinds 2016 een verkiezing van het beste genreverhaal van het voorafgaande jaar en publiceert thematische verhalenbundels in de ‘…in de polder’-reeks. De NCSF heeft weer een verhalentijdschrift, HSF, waar auteurs betaald krijgen voor hun werk en verschillende websites publiceren verhalen, al dan niet tegen betaling. En rond deze media verzamelen zich gevorderde zowel als beginnende schrijvers. Mike Jansen, de drijvende kracht achter Edge.Zero, merkt dit ook op. “Ik zie een soort jonge garde die goed produceert, gepubliceerd begint te worden en kwalitatief elk jaar beter wordt.”

Ook lezers zetten zich steeds actiever in voor hun geliefde genre. Liefhebbers zijn bijvoorbeeld groepen begonnen op Facebook gewijd aan sciencefiction- en fantasyboeken waar levendige discussies plaatsvinden. Vanuit die groepen ontstaan weer leesclubs die fysiek bijeenkomen. Pagina’s zoals Vonk en Fantasize plaatsen kritische essays over het fantastische genre in Nederland. Pagina’s als Fantasywereld plaatsen ondertussen goed onderbouwde recensies van Nederlandstalige boeken. Verder zijn meerdere schrijvers actief op YouTube met filmpjes over het schrijven en het fantastische genre, waar lezers dan weer op reageren. Iedereen heeft baat bij een dergelijke grote, levendige ‘community’ binnen het fantastische genre. Hoe meer boeken, hoe meer lezers, hoe beter. Een rijzend getij tilt alle schepen op. “Ik denk zeker dat er leven zit in de science fiction en fantasy in Nederland,” meent Roderick Leeuwenhart daarom. “Met de hoeveelheid talent en ambitie en slimmeriken die we hebben, is het doorbreken een kwestie van tijd. Er zit groei in.”

Achterlopen
Je schrijft natuurlijk geen essay als dit wanneer je niet ook enkele verbeterpunten kunt aanwijzen. En ik zie voor het Nederlandstalige genreveld wel wat mogelijkheden tot groei. Niet alle observaties van critici over het genre zijn namelijk op de aantallen terug te voeren. Ikzelf kom als ik verhalenwedstrijden jureer nog steeds SF-verhalen tegen met ruimteschepen waarin je door een raam naar achteren kunt kijken of waarin robots a la die van Asimov figureren. De meeste fantasyboeken die ik op de fantasyfestivals zie liggen, hebben draken of elven op de cover staan en spelen zich af in de standaard middeleeuws aandoende werelden. Als ik dat vergelijk met de Engelstalige SF en fantasy die ik lees, heeft daar in beide genres veel meer ontwikkeling plaatsgevonden.
Welke Nederlandse of Vlaamse SF-schrijvers laten zich eens uitdagen door Hannu Rajaniemi, Adrian Tchaikovsky en Beckie Chambers? Waar zijn de Nederlandstalige fantasyschrijvers die zich laten inspireren door de New Weird (China Mieville), of Grimdark, of door de fantastische verhalen van N.K. Jemisin? Ik las laatst bijvoorbeeld ‘Gideon The Ninth’ van de Nieuw-Zeelandse auteur Tamsyn Muir – een science fantasy over necromancers. Waarom zijn er niet meer Nederlandse schrijvers die zulke frisse en vernieuwende boeken schrijven?

Niet dat schrijvers alleen maar boeken moeten publiceren die voldoen aan mijn behoorlijk specifieke smaak. Er is niets mis met klassieke SF en fantasy. Er zijn en blijven lezers die deze boeken verslinden. Dus als dat is waar jij van houdt, is dat natuurlijk wat je moet schrijven. Helaas staan sommige van de klassiek aandoende boeken in ons taalgebied vol schrijffouten, bevatten ze plotgaten of vertellen ze wel heel veel zonder het te laten zien. Het komt ook voor dat ze een leuk verhaal weergeven, maar dat ik er geen diepere laag in terugvind. Vooral dat is jammer.
Ik ben overigens niet de enige die weinig vernieuwing waarneemt in de Nederlandstalige fantasy en SF. Denk aan de jury van de laatste Harland Award boekprijs die weinig ambitie zag bij de boeken op de shortlist. Jasper Polane constateert dat heel veel Nederlandstalig werk vooral ouderwets is: “We hebben te weinig N.K. Jemisins en China Mievilles in Nederland. Ik zie vooral veel ‘standaard’ fantasyboeken die te vergelijken zijn met wat in de VS in de jaren ’80 en ’90 uitkwam. Dat type boeken is in het buitenland voor een groot deel naar het YA genre verschoven, maar hier wordt het nog voor volwassenen geschreven.” Ook recensent Ferry Visser vindt dat we achterlopen in vergelijking met het buitenland. “In Engeland, Amerika, Duitsland en Frankrijk zijn er subgenres die floreren, die hier nog tot ontwikkeling moeten komen. Een voorbeeld daarvan is de LHBT+-fantasy. In het buitenland is het een genre met haar eigen schrijvers en in Nederland is er af en toe een homoseksueel personage of liefdeskoppel. Daarom maak ik de vergelijking met een bloementuin in de schemering. De bloemen (subgenres) zitten nog in de knop en het is wachten tot ze opengaan.”

Een kwestie van aantallen
Hoe komt het dat de Nederlandstalige SF en fantasy op het eerste gezicht soms weinig vernieuwend lijkt? Misschien is het de cultuur van de lage landen die fantasie en verbeelding wantrouwt (‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’) en die het excelleren in een vakgebied ontmoedigt (‘Niet je hoofd boven het maaiveld uitsteken’). Waarschijnlijker is het kleine aantal schrijvers en boeken uit Nederland en Vlaanderen de waarneming vertekent. “Binnen ons taalgebied zijn we niet heel anders dan het buitenland,” verklaart Mike Jansen. “Maar in het Engelse taalgebied zijn zo’n 900 tot 1000 genreschrijvers van een bepaald niveau actief. Vergelijk dat met zo’n 20 schrijvers uit Nederland en België met hetzelfde niveau.”
De verhouding tussen ‘vijf sterren’-schrijvers en schrijvers die onorigineel, minder goed geschreven werk afleveren, is in het Engelse taalgebied niet anders dan bij ons. Amazon staat vol met boeken van amateuristische schrijvers. Er zijn zelfs hele blogs gevuld met de foute covers van ‘self published’ boeken die bijvoorbeeld comic sans als lettertype gebruiken of kinderlijke tekeningen op de cover hebben. Dan zijn er nog heel wat boeken bij kleinere, onafhankelijke uitgevers die de Nederlandse lezer nooit bereiken. Er is dus geen absoluut verschil in kwaliteit. Maar Engelstalige boeken komen pas terecht bij Nederlandse lezers als ze vertaald worden, of gerecenseerd worden door grote bladen of sites in het buitenland, of als er op basis van die boeken TV-series zijn gemaakt. Dat zijn nogal wat filters. We zien daarom vaak slechts de boeken van de zogenoemde ‘Big 5’ van uitgevers. Dat vertekent het beeld van de kwaliteit van Engelse boeken.

Laten we een rekensommetje doen. Stel dat er in het Engelse taalgebied 10.000 genreschrijvers zijn, waarvan er 1000 op professioneel niveau schrijven, dan is het niet vreemd dat als er in het Nederlandse taalgebied 200 schrijvers actief zijn in het fantastische genre, er slechts 20 op hetzelfde professionele niveau schrijven. Als van de 1000 professionele schrijvers in het Engels er 100 bij het grote publiek doorbreken, zullen dat van de 20 in ons taalgebied er slechts één of twee zijn. Het is een kwestie van kansrekening. De gemeenschap van fantasyschrijvers en lezers in ons taalgebied is waarschijnlijk gewoon te klein om een eigen Neil Gaiman, China Mieville of G.R.R. Martin op te leveren. “Er zijn eenvoudig maar weinig schrijvers die consistent goede kwaliteit werk leveren,” concludeert Mike Jansen. “Het Nederlandstalige genre is een verbazingwekkend kleine speeltuin.”

Professionele ambitie
Maar dat is geen reden om bij de pakken neer te gaan zitten. We kunnen ook blijven zoeken naar manieren waarop we in kwaliteit en originaliteit als Nederlandse en Vlaamse auteurs op onze buitenlandse collega’s kunnen inlopen.
Hiervoor is het volgens mij ten eerste belangrijk dat we als schrijvers veel lezen binnen en buiten het genre waarin we schrijven. Niet alleen schept dat de bodem waarin onze eigen verhalen kunnen wortelen, het helpt ons ook kwaliteit te herkennen in ons eigen werk en in dat van anderen. Hierover heb ik al eerder een essay op Fantasize geschreven dat ik hier maar niet ga herkauwen. Wel wil ik Nederlandstalige schrijvers adviseren ook op de hoogte te blijven van wat hun collega’s uit hun eigen taalgebied produceren. “Je merkt dat schrijvers niet kijken wat andere auteurs doen,” stelt Jasper Polane. “Daardoor lijkt iedereen op zijn eigen eilandje te zitten. Er zijn geen ‘bewegingen’ in het genre in ons taalgebied.” Zelfs de Ziltpunkbeweging van Tais Teng en Jaap Boekestein heeft op mijn eigen novelle ‘Plastic vriend’ na weinig navolging gekregen. “Ik hoop eigenlijk dat Nederlandse auteurs elkaar meer gaan beïnvloeden,” besluit Jasper. Samenwerkingsprojecten als ‘De zwijgende aarde’ en ‘Dizary’ zijn op dit vlak al goede initiatieven.

Ten tweede meen ik dat we schrijven meer moeten gaan zien als een vak dan als een hobby. Natuurlijk is het schrijven van fantasy en SF in ons taalgebied niet iets dat je doet om er rijk van te worden. Toch kun je een professionele houding ontwikkelen. Dat betekent dat je vakkennis kunt verzamelen via opleidingen of artikelen (of YouTube-video’s). Zoals in elk vak kun je je vaardigheden verbeteren door te oefenen, in de leer te gaan bij leermeesters en je praten met andere beoefenaars. Je kunt op die manier leren hoe je karakters diepgang kunt geven, hoe je een plot kunt opbouwen en hoe je afwisselende zinnen kunt formuleren. Er zijn ook professionele maatstaven voor kwaliteit in het schrijven van SF en fantasy, zoals in elk ander vak. Recensenten en critici kunnen aanwijzen wie zijn vak goed beoefent en wie niet. Een valkuil voor Nederlandse schrijvers is volgens Jasper dat ze vaak met het eindproduct beginnen: “Een auteur wil een trilogie schrijven, of nog erger, een serie van twaalf delen, terwijl het al moeilijk genoeg is om een goed boek te schrijven. Dit gaat ook ten koste van de kwaliteit, want de auteur is sneller geneigd ‘door te schrijven’ aan het volgende boek, in plaats van zijn boek de aandacht te geven die het verdient.”

Gelukkig zijn er schrijfgroepen voor schrijvers in het fantastische genre, een website (fantasy-schrijven.nl) met cursussen, en bijeenkomsten met lezingen en paneldiscussies voor en door schrijvers (zoals HSFcon). Ook het sinds 2020 nieuwe programma ‘About books’ van Zilverspoor draagt bij aan het verspreiden van vakkennis. Mooie ontwikkelingen.
Ten slotte zou ik het een goede zaak vinden als meer schrijvers de ambitie krijgen echt een bijdrage te leveren aan de fantastische literatuur, om vernieuwing te brengen of verdieping aan wat eerder geschreven is. “Soms houden schrijvers zich voor mijn gevoel in,” observeert ook recensent Ferry Visser. “Dan kiezen ze voor veiligheid in plaats van de vernieuwing of zijn ze zich niet bewust van wat hun thematiek is.” Zijn advies voor wie een hoger niveau wil bereiken: “Je moet je als schrijver bewust zijn van wat je met het verhaal wilt vertellen. Je werk moet fantasierijk zijn, overtuigende wereldopbouw bezitten, literaire meerduidigheid bevatten en consistentie hebben.”

Zelf zie ik gelukkig naast gevestigde namen als Anthonie Holslag, Sopha Drenth, Jasper Polane en Joost Uitdehaag ook schrijvers in opkomst zoals Antoni Dol, Wouter van Gorp, Debby Willems, Vince Penders, Mark Groenen en Nanouk Kira die deze ambitie tentoonspreiden. Publicaties als Ganymedes en Edge.Zero, maar ook HSF en Wonderwaan verwachten bovendien steeds vaker een bepaalde mate van kwaliteit van schrijvers die verhalen aanleveren. Rond die publicaties ontstaan bovendien gemeenschappen van auteurs die bij elkaar een professionele houding herkennen en elkaar naar een hoger niveau helpen tillen.

Toekomst
Originaliteit en vakbekwaamheid moeten schrijvers natuurlijk uit eigen beweging willen nastreven. Het is niet iets dat ik of iemand anders aan ze kan opleggen. Maar ik maak me niet werkelijk zorgen over ‘de kwaliteit van het genre’. Uiteindelijk komt echte kwaliteit ook in ons taalgebied vanzelf wel bovendrijven, of we er nu essays over schrijven of niet, of we er nu over discussieren of niet. Lezers pakken namelijk de boeken van auteurs waar ze enthousiast over zijn, recensenten vragen boeken op van schrijvers van wie ze kwaliteit verwachten. Elk boek vindt zijn eigen lezers die ervan genieten. Daar mogen we (mag ik) wel wat meer op vertrouwen.
Mijn vermoeden is dat auteurs met een meer ‘hobbymatige’ benadering van het schrijven sowieso niet lang in het veld actief blijven. Ze schrijven een of twee boeken of series, en houden het dan voor gezien. Ikzelf wil over twintig jaar daarentegen nog steeds SF- en fantasy schrijven en wil mezelf dan nog steeds met elk verhaal uitdagen, zodat ik blijf groeien in mijn vak. Je raakt immers nooit uitgeleerd. Ook ik niet. Ik zie elk jaar meer schrijvers opduiken die deze professionele houding delen en dat geeft mij in ruime mate hoop voor de toekomst van het genre in ons taalgebied. Ik geloof zelfs dat we als Nederlandstalige SF en fantasy nu al genoeg kwaliteit in huis hebben om een groter lezerspubliek aan te spreken dan we op dit moment bereiken.

Ferry Visser is dat met mij eens. “Er zit potentie in de schrijvers en die moet tot bloei gaan komen. Voor de komende jaren zie ik de naamsbekendheid van de Nederlandstalige fantasy groeien en dat is goed.” Hij hoopt dat grote uitgevers de SF en fantasy zullen omarmen en dat de media meer aandacht aan het genre gaan besteden. Roderick Leeuwenhart denkt dat deze droom zeker niet te hoog gegrepen is. “Het enige wat nodig is, is een schrijver die vanuit de sf en fantasy doorbreekt bij het grotere publiek. Of dat het genre ineens iets doet waardoor het helemaal relevant of hip is, a la de Scandinavische thriller. Wat er verder voor nodig is, is een gecombineerde inzet door zowel schrijvers, lezers en kleine en grote uitgeverijen, die er met passie in investeren.”
Aan passie is er volgens mij geen gebrek. Niet bij de schrijvers en niet bij de lezers. Als we die combineren met een professionele houding ten opzichte van het vak, een grotere aandacht voor ontwikkelingen in het genre binnen en buiten ons taalgebied en een flinke dosis creativiteit bij het verzinnen van onze verhalen, zal de SF en fantasy in Nederland en Vlaanderen helemaal tot bloei komen.

Wil je alle artikelen uit dit thema teruglezen? Je vindt het overzicht hier.

© 2020-2024 Johan Klein Haneveld & Fantasize

You cannot copy content of this page