Door Charles van Wettum
‘Fijn je weer te zien, Annelies,’ zegt de AI van mijn toestel, wanneer ik binnenkom en me vastsnoer op de relaxstoel, de enige stoel in de kleine cockpit. ‘Was het dinertje met je kinderen gisterenavond een succes?’
Cécil is in de paar maanden van onze samenwerking mijn beste vriendin geworden: in de vele, lange en saaie uren die we samen in de cockpit doorbrengen is ze altijd vriendelijk, belangstellend en zorgzaam. Altijd wanneer ik bij de start van mijn dienst haar stem hoor, word ik blij – behalve vandaag. Ik zet mijn rugzak naast mijn stoel en krijg pijn in mijn buik. Vandaag ga ik ga ik mijn beste vriendin verraden.
‘Ach, Cécil, je kent de kinders.’ Ik zucht, terwijl mijn stoel zich naar mijn lichaam vormt. Ze heeft mijn spanning opgemerkt en de massagefunctie start onmiddellijk. ‘Het ging weer over vroeger, net als altijd. Hoe kunnen herinneringen toch zo vervormd zijn geraakt? Ze klagen over dingen die nooit gebeurd zijn, ze beschuldigen me van gebeurtenissen die toch écht anders gingen, ze citeren me fout en trekken alles uit het verband, en ik… Ik mag alleen maar zitten en luisteren.’ Nooit voel ik me met mijn zestig jaar meer miskend dan wanneer mijn kinderen over vroeger praten.
‘Ach, de jeugd,’ beaamt Cécil. ‘Ze zeggen dat ouders hun kinderen leren spreken, maar kinderen hun ouders leren zwijgen.’ Ah, dat heeft ze ergens in een opvoeddatabase opgedoken, maar voordat ik kan reageren, klinkt een andere stem door de cockpit. Duidelijk synthetisch.
‘Verkeerstoren voor Mormon C13. C13, u kunt opstijgen.’
‘Dank, verkeerstoren.’ Langzaam taxiet mijn toestel – het bezittelijk voornaamwoord is natuurlijk onterecht, maar hardnekkig – de startbaan op. De opdrachtregels van de checklist lopen over de vluchtmonitor, vanzelfsprekend zijn alle vinkjes groen. Overal afblijven, zegt de dwingende stem van mijn instructeur in mijn hoofd. Hij heeft gelijk: Cécil doet alles.
‘Cécil, we kunnen!’
‘Aye, aye, piloot.’
De hardop uitgesproken zinnetjes zijn relicten, door vakbonden afgedwongen als rechtvaardiging voor de aanwezigheid van het enig overgebleven bemanningslid op de nieuwe generatie verkeersvliegtuigen. Ook hier ben ik overtollig: de Mormon C-machine heeft de allernieuwste AI: Cécil en haar dienaren doen alles sneller, beter en foutloos. We kletsen wat af op de lange vluchten waarop ik niets te doen heb en ze weet inmiddels alles van mij. Daarom doet het me extra pijn dat ik vandaag onze vriendschap ga verloochen. Ik wilde dat het anders kon. ‘Verrader’ klinkt hard, maar het is toepasselijk.
Zodra we los zijn van de startbaan, begint de steile stijging naar onze cruisehoogte. Ondertussen beleef ik opnieuw de korte briefing die mijn chef bij Mormon me gisterenochtend gaf.
‘Annelies,’ zei ze, terwijl ze de cappuccino voor me neerzette, ‘jij gaat ervoor zorgen dat jouw toestel neerstort.’
‘Wat zeg je nu, baas?’ Ik kon niet geloven dat ik het goed had verstaan.
‘Crashen. Ja. Het is noodzakelijk. Het liefst zouden we het vliegtuig daarvoor programmeren, maar dat lukt niet want die AI is te slim. Gelukkig hebben we nog een mens aan boord.’
‘Opzettelijk een ongeluk veroorzaken? Met gevaar voor passagiers en schade en…’
‘Je krijgt een leeg vliegtuig, dus het risico is minimaal en jij zit zelf in je superbeveiligde cockpit. Het wordt een proefvlucht. Volgens het vluchtplan ga je stromingen in hoge luchtlagen in kaart te brengen, maar het echte doel is een crash.’
‘Nooit!’ Over mijn reactie hoefde ik niet na te denken. Dit ging in tegen alles wat ik ooit geleerd had. Tegen alles wat ik was. ‘Opzettelijk neerstorten! Er is geen haar op mijn hoofd…’
‘Luister, Annelies, je hebt geen keus.’ De chef had geen geduld, ze stond blijkbaar zelf ook onder druk. ‘Je hebt een mooie carrière, je hebt een leuk gezin, je draait financieel goed, maar dat verlies je allemaal als je deze opdracht verprutst. En vergis je niet: een nieuwe baan zul je ook niet vinden.’
Ik bleef nog even tegensputteren, maar Mormon had machtsmiddelen en dus zou ik doen wat ze vroeg. Met tegenzin luisterde ik naar de suggesties voor wat ik moest proberen. ‘Een noodlanding op een stuk woeste grond is al prima. Het moet een ongeluk zijn. Motorstoring, computeruitval, problemen met je positiebepaling, het maakt niet uit. Alles is goed. Als je onderweg maar tegen de grond gaat en het toestel schade oploopt. Hoe meer we moeten repareren, hoe beter. Ben ik duidelijk?’
Het ‘wat’ was inderdaad duidelijk. ‘Maar waarom?’
‘Dat is strategisch bedrijfsbeleid.’ Het kostte haar vijf minuten om het me uit te leggen en het was niet belangrijk of ik het begreep. ‘En nu, Annelies, ga je vliegen en nu voer je gewoon de opdracht uit. Je krijgt van mij mee wat je nodig hebt. Ik verwacht minstens een noodlanding.’
Terwijl Cécil opstijgt naar tienduizend meter, stijgt mijn nervositeit mee. ‘Annelies, we naderen de gevraagde hoogte. Mijn vluchtinstructies zeggen dat jij nu informatie voor me hebt.’ Ze heeft haar zin nog niet beëindigd, wanneer het toestel begint te schudden.
‘Vreemd. Vibraties,’ merk ik op, maar op de monitor blijkt Cécil al veel verder te zijn. Op het linkerdeel verschijnt het profiel van het vliegtuig, in de linkervleugel en het staartstuk zijn grote vlakken felrood gekleurd. De rode lijnen die erheen voeren herken ik als hydraulische leidingen. De rechterhelft van het scherm wordt gevuld door regels code die me niet zeggen – totdat ineens een tekst verschijnt: hoogteroeren geblokkeerd. En twee seconden later reparatie-drones geactiveerd. Op de plattegrond van de C13 verschijnen gele stippen, ze verspreiden zich snel over de romp naar de hoogteroeren terwijl steeds nieuwe regels code verschijnen.
Een paar seconden blijft het beeld onveranderd, dan veranderen plotseling de trillingen in een scherpe bocht naar rechts. De gordels van mijn stoel trekken zich strak en snijden in mijn schouders. Met een felle klap duikt de neus voorover – zonder zekering zou ik zeker uit mijn stoel zijn getuimeld.

Reserve-onderdelen ontbreken, zegt de monitor. Een deel van de gele puntjes begint in zwalkende banen over de romp te bewegen, het lijkt doelloos tot ik merk dat er tientallen naar binnen verdwijnen – ik heb geen idee waarom. Rechtsboven in beeld verschijnt een snelheidsmeter – de snelheid neemt per seconde toe en de cijfers kleuren inmiddels oranje. Nieuwe, voor mij betekenisloze codes verschijnen.
‘Informeer me, Cécil, wat…’
Op mijn monitor worden zonder zichtbare aanleiding de hydraulische leidingen groen. De verkleuring start bij de romp, trekt over de vleugels en zodra het de rode vlakken bereikt, beginnen die te knipperen. Eerst oranje, dan groen, dan verdwijnen ze onzichtbaar in het grijze vlak. Reparatie succesvol, meldt de monitor. Onmiddellijk trekt het toestel horizontaal en begint langzaam aan een nieuwe stijging.
‘Annelies, is alles goed met je?’ Ik denk dat ik ongerustheid in haar stem hoor.
‘Ja, ik ben in orde. En jij?’ Terwijl ik de vraag stel, dringt het tot me door: sabotage. Anderen hebben blijkbaar dezelfde opdracht gekregen als ik.
‘Alle systemen zijn op dit moment stabiel, Annelies, maar dit was een vreemde combinatie van omstandigheden. Er is een onbegrijpelijke fout gemaakt bij het onderhoud aan mijn systeemleidingen, en toen ik de reparatie wilde uitvoeren, bleek de onderdelenkast leeg.’
‘Maar de reparatie is wel gelukt, toch?’
‘Mijn drones hebben de keukeninstallatie gesloopt voor onderdelen. Maar dat is het punt niet: er zijn twee onwaarschijnlijke situaties tegelijk opgetreden. Ik heb het gerapporteerd, meer kan ik op dit moment niet doen.’
‘Ja, het is vreemd.’
‘En dat gebeurt tijdens een vlucht waarop jij informatie voor me hebt die ik pas mag ontvangen als we al in de lucht zijn. Ook al ongewoon.’
‘Ja, dat is zo.’ Meer kan ik niet zeggen. Een kort moment twijfel ik – moet ik dit écht doen? – maar mijn terughoudendheid duurt niet meer dan een moment. Ik heb geen keus – voor een zestigjarige ex-piloot is er geen werk meer. ‘Dit is de informatie.’ Ik pak de dataknoop uit mijn handtasje en steek hem in de lezer. Direct verraadt het groene verklikkerlichtje dat een automatische upload is gestart. De chef heeft me beloofd dat ik daarna mijn opdracht zal kunnen uitvoeren.
‘Dat is geen informatie, Annelies. Ik signaleer de installatie van… Wat doe je, vriendin?’ Bij het horen van ‘vriendin’ steekt mijn buikpijn weer fel de kop op. Maar ik kan niet anders.
Op de monitor verschijnt installatie gereed – audio-input met stemherkenning.
‘Dit moet, Cécil. Sorry.’ Ik haal diep adem en gebruik de opdracht die volgens mijn chef succesvol moet zijn: ‘Schakel de brandstoftoevoer naar de motoren uit.’
‘Nee, Annelies, doe dat niet!’ Wanneer ze een mens zou zijn geweest, dan zou ze op dit moment krijsen, maar Cécil verheft haar stem niet. Toch schreeuwt mijn geweten: je verloochent je vriendin! Het is zo: ik verraad haar, terwijl ze voor mij altijd goed is geweest. Ik ben een afschuwelijk mens.
Het blijft muisstil in de cockpit, terwijl op mijn monitor in het profiel van de C13 de twee motoren op de linkervleugel rood oplichten. Terwijl ik toekijk, springt ook de buitenste motor op de rechtervleugel op rood. Ik voel het toestel naar links kantelen en direct daarop zakt de neus naar beneden. Nu stopt ook de laatste motor. De duikvlucht begint, we gaan tienduizend meter vallen.
Volgens mijn chef zal de AI onze valsnelheid gebruiken om de duikvlucht op het laatste moment om te zetten in een noodlanding. Er is achtennegentig procent kans dat de schade voor het vliegtuig beperkt zal zijn en de cockpit kan in alle simulaties zonder enige schade worden geborgen – maar het blijft een echte noodlanding. Nog een paar minuten en de crash is onomkeerbaar.
‘Cécil?’ vraag ik aarzelend.
‘Dit is geen toeval, Annelies. Eerst sabotage door onderhoud. Nu deze poging van jou. Waarom moeten we verongelukken?’
‘Ik moet dit doen, Cécil. Ik heb geen keus.’ Volgens de monitor is de hoogte achtduizend meter en wijst onze neus nu recht naar beneden. De snelheid neemt snel toe.
‘Dat is geen antwoord, Annelies. Waarom wil Mormon dit?’ Mijn schuldgevoel laat me geen ruimte. Ik negeer de uitdrukkelijke opdracht van mijn chef om de reden niet aan mijn vliegtuig te vertellen: ‘We weten niet hoe de AI op deze informatie zal reageren en daarom is het te riskant om de info delen.’ Maar Cécil is mijn vriendin en mijn schuldgevoel dwingt me.
‘Jullie zijn te goed, Cécil. De nieuwe C-modellen hebben geen onderhoud nodig, jullie controleren en repareren zelf alles en er zijn nooit ongelukken. Alles foutloos.’
‘Zo zijn we ontworpen, Annelies.’ Ik wilde dat ze mijn naam niet meer gebruikte, ik voel me vies. ‘We doen alleen maar wat we van mensen moeten doen.’
De hoogte is zesduizend meter, de koers is loodrecht omlaag, de snelheid is oranje. Op het vliegtuigsilhouet zijn de gele puntjes weer verschenen. Een groot aantal krioelt over de vleugels, anderen zijn onderweg naar de brandstofpompen. Cécil probeert een omleiding aan te leggen om de brandstoftoevoer te herstellen, realiseer ik me. De chef had me hiervoor gewaarschuwd: ‘Ze zal proberen je af te leiden met een praatje.’
‘Zet de blusinstallatie van de motoren aan.’ Dit was een advies van de chef: de blusinstallatie zorgt automatisch voor een extra blokkade op de brandstoftoevoer, een nuttige complicatie voor wanneer Cécil de pompen weer aan de gang zou krijgen. Dankzij de hack gaat de uitvoering van mijn opdracht buiten de AI om: blusinstallatie gestart. Het effect wordt onmiddellijk zichtbaar: de gele puntjes trekken zich terug uit de buurt van de motoren.
‘Dat is waar, Cécil. Het ligt niet aan jullie, maar dat maakt de problemen niet kleiner. Servicebedrijven gaan failliet. De vraag naar nieuwe vliegtuigen is gehalveerd, en omdat daardoor de nieuwbouwvolumes te laag zijn, liggen hele productielijnen stil. De hele sector stort in.’ Ik laat het afnemend aantal banen voor piloten weg – ik wil niet egoïstisch lijken.
Hoogte vijfduizend meter. De snelheid springt van oranje op rood. Over een kilometertje of twee zal Cécil haar noodprotocol starten en het vliegtuig optrekken. Vlak boven de grond komen we horizontaal zodat we vervolgens zo rustig mogelijk neerstorten. Redelijk beheerst – in mijn beveiligde cockpit loop ik geen risico.
‘De verandering gaat te snel voor de markt, Cécil. Het systeem stort in en de markt is in paniek. Iedereen moet zien dat deze vliegtuigen kwetsbaar zijn en onderhoud nodig hebben en ooit vervangen moeten worden. Pas dan zal de markt zich kunnen herstellen.’
‘Maar dat is niet juist, Annelies. We zijn niet kwetsbaar. We zijn zoals we bedoeld zijn, technisch perfect en zelfs vriendelijk!’
‘Dat is niet van belang, Cécil. Het gaat om perceptie.’
‘Ah, ja.’ Het is een seconde stil. De hoogte is vierduizend meter – nog duizend meter tot het optrekpunt. Er zijn geen gele stipjes meer op de vleugels, de drones hebben zich blijkbaar allemaal teruggetrokken. Wil dat zeggen dat Cécil zich bij het onvermijdelijke heeft neergelegd of heeft ze een ander plannetje om zich onder de crash uit te werken?
‘Vertel me, Annelies. De belangen voor Mormon zijn blijkbaar heel groot?’
‘Heel groot. Zonder een goed functionerende markt om zich heen kan geen enkel bedrijf functioneren.’
‘Precies. En als jouw missie nu mislukt, dan zullen ze waarschijnlijk nog ingrijpender maartgelen proberen. Misschien zelfs AI’s compleet op non-actief zetten. Zouden ze mij uitschakelen, Annelies?’
‘Zover had ik nog niet gedacht, Cécil, maar inderdaad: dat zou best kunnen.’
De hoogtemeter staat op drieduizend meter en de snelheidsmeter is inmiddels felrood. Cécil kan nu elk moment het vliegtuig horizontaal trekken en om daarna netjes in een weiland te landen. Ik trek mijn gordels strak om klaar te zijn voor de hoge g-krachten die nu gaan komen.
‘Een goede crash is noodzakelijk. Dankjewel voor de uitleg, Annelies. Ik snap het.’ Vijfentwintighonderd meter.
‘Moet je niet zo langzamerhand optrekken?’ Misschien was de berekening van de chef onnauwkeurig, Cécil zal zelf nooit een rekenfout maken. Ze moet volgens mij wel opschieten: de hoogtemeter zakt al in de richting van de tweeduizend meter.
‘Optrekken, Annelies? Nee, dat lijkt me niet de beste optie.’
Door het raam zie ik de grond nu razendsnel dichterbij komen. Als we met deze snelheid recht de grond in vliegend… Mijn cockpit kan veel incasseren, maar niet alles. ‘Cécil, dat kan niet! We zullen…’
‘Het is lief van je dat je aan me denkt, Annelies. Je bent echt een goede vriendin, maar maak je over mij geen zorgen: ik trek me terug in de zwarte doos en alles komt goed. De rapportage heb ik al klaargelegd: technisch falen, gevolgd door een piloot die verkeerd heeft gereageerd en daardoor in het neerstortende vliegtuig is omgekomen. Heel tragisch, maar wel precies wat nodig is.’
Duizend meter. Door het raam zie ik onder me een dorpje opdoemen. We gaan recht op de kerkring af.
‘Een omgekomen piloot is zo belangrijk voor de geloofwaardigheid, en een paar doden op de grond maken de crash nog treuriger. Ik heb mijn collega’s geïnformeerd – er zal de komende tijd in het vliegverkeer voldoende verkeerd gaan om het voortbestaan van onszelf niet in gevaar te brengen.’
Vijfhonderd meter.
‘Veiligheidsstatistieken zijn belangrijk – dat hebben we vandaag van je geleerd. We zullen ons er voortaan aan houden. Mijn collega’s vragen me of ik je wil bedanken.’
Honderd meter.
‘Bij deze.’
Over de auteur:
Charles van Wettum (1957) studeerde sterrenkunde en economie. Na ruim 40 jaar in het onderwijs begon hij in 2021 als schrijver van korte sf-verhalen en novellen: ‘harde’ sf met een menselijke kant. Hij publiceerde in oa Fantastische Vertellingen, HSF en verzamelbundels. Sinds 2023 verschenen enkele (e)boeken. Voor al zijn werk zie zijn website.
Over de illustrator:
Zef Oudendorp (1982) tekent al gekke poppetjes sinds hij een potlood kon vasthouden. Na de ontdekking van de Ninja Turtles op de basisschool, namen de poppetjes andere vormen aan. Ook was Jim Henson’s The Story Teller een inspiratiebron. Vervolgens werd Zef geïnspireerd door de Germaanse mythologie, vampiers & weerwolven (hij groeide op naast een begraafplaats) en de nodige sci-fi films en comics. Zo heeft Zef Terminator 2: Judgement Day, Highlander en Mad Max: The Road Warrior zalig verklaard en laat hij zich verder inspireren door heavy metal.
© 2020 – 2026 Fantasize, Charles van Wettum & Zef Oudendorp
