donderdag, maart 26

Vertelling: De waterman – Charles van Wettum

Door Charles van Wettum

‘Daar heb je hem!’ gilde een vrouw. ‘Dat is de schoft die water steelt! Die app ging vast over hem.’
Donkere blikken keerden zich in mijn richting. Dit werd gevaarlijk! Waar kon ik heen?
De zaterdagochtend was normaal begonnen. De waterman zou om half twaalf komen, dus om tien uur riep ik naar mijn vriendin: ‘Jacobien, ga jij vandaag of is het mijn beurt?’ Terwijl ik de vraag stelde, wist ik al wat het antwoord zou worden.
‘Och, Jeffrey, ik moet nog snel douchen. Wil jij het vandaag doen?’
Vanzelfsprekend. Ik stak het waterpasje in mijn vestzak en ging naar de kelder van ons appartementengebouw. Op de openbare meterkast zag ik dat onze witwatertank vrijwel leeg was, dus ik zou van de waterman een volledige eenheid nodig hebben. Lichtgrijs hadden we nog een beetje maar na Jacobiens douchebeurt zou die ook wel op zijn. De donkergrijswatertank was bijna vol. Om het afvalwater van de lopende douche te kunnen opvangen, zette ik de hevel naar de gemeenschappelijke zwartwatertank open.
Het was niet toevallig dat ik bij de meterkast onze bejaarde bovenbuurman tegenkwam. Iedereen is op zaterdagochtend bezig met de voorbereidingen voor het wekelijkse bezoek van de waterman.
‘Bij jullie alles goed, Henk?’ Terwijl het donkergrijze water uit mijn tank liep, zag ik de hevelmeter frustrerend snel oplopen.
‘Onze wit was eergisteren al op.’ Henk moet af en toe de zorgen van zich afpraten. ‘Loes mag vanwege haar open wonden niet met grijs wassen.’ Hij keek me hulpeloos aan en ik keek meelevend terug. Niet alleen hebben ze een grotere behoefte aan het schoonste water, maar ze hebben ook nog eens een oude wascabine die meer gebruikt dan een nieuwer model.
‘Dan moet je even langskomen, Henk. Je kunt altijd een fles drinkwater lenen.’
‘We drinken gekookt grijs, dat kan ook.’ Wit of lichtgrijs, de twee oudjes gebruikten heel wat medicatie en de restanten daarvan kwamen natuurlijk allemaal in hun donkergrijs terecht en uiteindelijk in het zwart dat we op gezamenlijke kosten moesten laten afvoeren. Bij het bewonersoverleg werd watersolidariteit een steeds vaker terugkerend twistpunt.
Henk grimlacht. ‘Ja, lichtgrijs hebben we gelukkig genoeg met al Loes d’r witte douchen. Maar Jeffrey, ik moet je iets vertellen. Ik zag gisterenavond laat de achterbuurman in zijn achtertuin een pijp in de grond slaan.’ Henk en Loes hebben vanaf hun balkon op de derde verdieping een prachtig zicht op de achtertuinen van de straat achter ons. Hij heeft bovendien een heel goede nachtkijker, speciaal voor dit doel.
‘Oh?’ Ik hield mijn oog op de niveauwijzer van het donkergrijs. Niet meer dan half leeg, dacht ik, want anders moeten we lichtgrijs gebruiken voor doorspoelen en dat is zonde van het geld.
‘Ik zag een pomp naast hem staan. Ik denk dat hij grondwater zocht.’
‘Dat is stom,’ reageerde ik. ‘Hij kan dat grondwater nooit genoeg reinigen om het zelfs maar lichtgrijs te krijgen.’
Henk trok zijn schouder op. ‘Zou best kunnen, maar ik heb het toch direct gemeld.’ Op asociaal gedrag van mensen in de buurt is Henk altijd al alert geweest.
‘Ah, nu begrijp ik waar die app van de waterpolitie vanochtend vandaan komt.’
Hij glimlachte. ‘Sinds de Maas bijna leeg staat, reageren ze razendsnel. Waterdiefstal is een hot topic.’
Mijn donkergrijswatertank was half leeg, dus ik zette de hevel stil. Het bedrag viel tegen, de dagprijs was nog slechter dan vorige week.
‘De waterdienders gaan er vandaag langs, dus ik moet na de waterman weer snel naar boven. Ik wil niks missen.’ Henk had vanaf boven de ideale plek om de inval te volgen. Verrekijkertje erbij. Die oude mensen hebben af en toe een verzetje nodig. ‘Als je wilt komen kijken, ben je welkom.’
Natuurlijk ging hij ervan uit dat ik dan een fles wit zou meenemen voor de koffie. Ik moest glimlachen. Henk mocht dan oud zijn, hij bleef een slimme schurk.
‘Vandaag niet. We moeten straks nog naar de winkel voordat alle drankjes zijn uitverkocht.’ Frisdrank was weliswaar gruwelijk duur, maar Jacobien was nog steeds verslaafd aan gesuikerde bubbeldrankjes.
‘Wil je me even helpen met de vulslang?’ Henk had de slangenkast opengedraaid en zijn eigen vulmond tevoorschijn getrokken.
‘Natuurlijk!’ Buren moeten voor elkaar zorgen. Ik pakte dus onze beide vulmonden en trok ze door de gemeenschappelijke zijdeur naar buiten. Henk hield de deur voor me open, ik zag dat de eersten zich al op straat hadden gemeld. Het zou straks weer dringen worden.
‘O, Jeffrey, ik ben mijn pas vergeten.’ Henk klopte in paniek op al zijn zakken. ‘Ik ga hem snel halen.’
‘Zonder pas geen plas,’ wilde ik zeggen, maar Henk was al naar binnen verdwenen. Hij had nog maar een paar minuten, hij moest zich haasten.

© Marcel van der Sleen

Op de stoep bij ons appartementengebouw stond een handvol buren, die ik allemaal kende van incidentele ontmoetingen in de lift. Verderop groepte de rest van de straat samen, een enkeling kende ik van wandelingen door het park en de supermarkt. In beide groepen werd druk gefluisterd: de aankondiging van de waterpolitie dat er vandaag in onze buurt een interventie zou komen, was zonder twijfel het gesprek van de dag. Ik zocht met mijn twee vulmonden een plekje bij de stoep – Henk moest opschieten, zonder zijn pas kon hij niet tanken en de waterman kon elk moment de straat inrijden.
Dit was dus het moment waarop de buurvrouw begon te gillen: ‘Dat is de schoft die water steelt! Die app ging vast over hem.’ Ze wees beschuldigend in mijn richting en keek triomfantelijk rond.
De schreeuwende vrouw kende ik natuurlijk – iedereen in de buurt kende Sonja. Voordat de ondergrondse waterleidingen werden afgesloten, was haar man betrapt op aftappen. Hij was meegenomen en nooit meer thuisgekomen, er gingen suggestieve appjes rond en zij bewees nu dagelijks haar eigen onschuld door iedereen te beschuldigen. Vorige week nog had ze een man verderop in de straat aangegeven voor het zonder vergunning gebruiken van een regenwaterton. Water haalt het slechtste in mensen naar boven.
‘Kijk, hij heeft twee vulmonden,’ riep iemand uit Sonja’s groep. ‘Twee watertanks, dat is illegaal!’
‘Waterdiefstal!’
‘Klootzak!’ De beschuldigingen struikelden nu over elkaar. De sfeer werd vervelend.
‘Die andere vulmond is van mijn buurman,’ riep ik zo hard als ik kon. Niemand luisterde.
‘Hij is vast ook de crimineel die grondwater steelt!’ krijste Sonja nu. De medebewoners van mijn appartementengebouw deden een paar stappen achteruit – een watertwist was het laatste waarin ze terecht wilden komen.
In Sonja’s groep trok een man zijn zwarte zakdoek voor zijn gezicht – een feilloze aankondiging voor problemen. Ik liet een van de vulmonden vallen en deinsde een stukje achteruit.
‘Hij gaat ervandoor,’ riep de inmiddels gemaskerde man. Hij deed een paar stappen in mijn richting. ‘Dat bewijst zijn schuld!’ Twee anderen bedekten nu ook hun gezicht. Met drie zouden ze wel verder mijn kant op durven komen.
‘Pak hem, voordat hij hem smeert.’
‘We dragen hem over aan de waterpolitie.’
‘Maar dat hoeft niet onbeschadigd.’
Uit mijn ooghoek zag ik Henk achter me de zijdeur opendoen. Direct kreeg hij in de gaten dat er een opstootje was ontstaan. Zonder een moment te twijfelen trok hij zich terug in het gebouw en sloot de deur.
‘We pakken hem.’ De drie mannen hadden moed verzameld en kwamen nu mijn kant op. Ze staken de laatste zijstraat over. Andere buurtbewoners volgden hen op respectabele afstand. Sonja vuurde hen vanaf een veilige afstand aan: ‘Mol die waterdief!’ Nog twintig meter. Ik liet nu ook mijn eigen vulmond vallen. Misschien zou ik moeten rennen.

Het was de enige keer in mijn leven dat ik werd gered door sirenes. Het geloei galmde door de straat op het moment dat de kolonne honderd meter bij ons vandaan de straat inreed. Eerst een blauwe dienstwagen van de waterpolitie, daarna twee busjes van de mobiele brigade en tenslotte een gepantserde jeep van Rijkswaterstaat. Ze trokken onmiddellijk de aandacht van iedereen in de straat.
‘Zij zullen die schoft wel inrekenen,’ zei een van de drie gemaskerde buren. Tegelijk besloot hij niet dichter bij me komen. ‘Jammer dat wij hem niet eerst onder handen kunnen nemen.’
De kolonne verlaagde de snelheid niet. De opgewonden buurtbewoners sprongen opzij om niet aangereden te worden.
‘Hé, jullie gaan verkeerd! Je moet hier zijn.’ De waterpolitie trok zich niets aan van het geschreeuw. Het konvooi passeerde ons appartementengebouw en draaide direct daarna de zijstraat in. Op weg naar de achterbuurman die Henk bezig heeft gezien, bedacht ik.
Het laatste voertuig, de imposante jeep, remde met piepende banden en bleef midden op de kruising staan. Twee geüniformeerde mannetjesputters sprongen soepel op de straat: ‘Goedemorgen.’
‘Daar is jullie grondwaterdief!’ wees Sonja, luid schreeuwend terwijl ze met haar hand naar mij priemde. ‘Hem moet je hebben!’
De agent keek even naar mij, toen naar haar. ‘We hebben het adres en het signalement. Onze collega’s zijn de dief aan het ophalen. Deze meneer is het niet.’
‘Maar hij heeft twee vulmonden!’ protesteerde Sonja. ‘Kijk maar. Hij…’
Precies op dat moment kwam de waterman met twee tankauto’s de straat in. Het vrolijke geklingel trok alle aandacht, bijna nog sneller dan de sirenes van de waterpolitie dat hadden gedaan. Ook Sonja draaide zich om, zag de wagens en de zich snel herstellende wachtrij. Haar mooie plekje helemaal voorin was ze kwijtgeraakt en ik zag haar inschatten hoe ze die schade zou kunnen beperken.
‘O, sorry hoor, ik dacht dat jij het was,’ mompelde ze bijna onhoorbaar en haastte zich terug om haar eigen vulmond op te rapen.
De agent keek even naar de twee op de grond liggende vulmonden en toen naar mij. Hij trok vragend een wenkbrauw op.
‘Eentje is van mijn bovenbuurman,’ verklaarde ik hem. Toen riep ik: ‘Henk, je kunt komen.’ De zijdeur ging onmiddellijk open. Henk hield zijn waterpasje al omhoog.
‘Goed, als dit opgelost is…’ De agent keek even rond. ‘Dan wens ik u nog een mooie zaterdagochtend.’ Hij tikte tegen zijn pet en sprong soepel weer in de jeep. Uit de richting van de achterburen klonk een luide explosie.
‘Balen, dat heb ik gemist,’ siste Henk tegen me, terwijl hij moeizaam zijn oude lichaam vooroverboog om zijn vulmond op te rapen. De waterman reed stapvoets bij ons gebouw voor, we hielden allemaal de vulmonden klaar om zo vlug mogelijk het wit te tanken.
Toen ik een paar minuten later bovenkwam, was Jacobien al klaar met douchen. Uit de keuken kwam de geur van koffie. Van wit water, dat kon ik duidelijk ruiken.

Over de auteur:
Charles van Wettum (1957) studeerde sterrenkunde en economie. Na ruim 40 jaar in het onderwijs begon hij in 2021 als schrijver van korte sf-verhalen en novellen: ‘harde’ sf met een menselijke kant. Hij publiceerde in oa Fantastische Vertellingen, HSF en verzamelbundels. In 2023 verschenen enkele (e)boekjes. Voor al zijn werk, zie www.wettum.org/boeken.

Over de illustrator:
Marcel van der Sleen (1984) is opgeleid tot grafisch vormgever, maar de drang om te tekenen bleef. Daarom is hij ook als illustrator aan de slag gegaan. Zijn hart ligt bij fantasy & sciencefiction, omdat hij daarin zijn fantasie en beeldend vermogen helemaal vrij kan laten.

 

© 2020 – 2026 Fantasize, Charles van Wettum & Marcel van der Sleen

You cannot copy content of this page