donderdag, januari 15

Fantasize jongerenschrijfwedstrijd Kom zoals je bent – eerste plaats – leeftijdscategorie 21-25 jaar: 1-A van Rien Speulman

1-A
Door Rien Speulman

Er is iets anders vandaag. Ik kan er mijn vinger niet op leggen, maar er is iets dat niet klopt.
Al sinds ik wakker werd, voel ik me raar. Mijn hoofd bonst, mijn keel doet zeer en ik voel me draaierig. Een branderig gevoel verspreidt zich door mijn onderbuik en tussen mijn benen. Ik negeer het.
De bezoekers zijn gearriveerd. Ze staan aan de andere kant van de traliemuur en lezen de bordjes hardop voor.
‘Zeros is ons oudste vrouwtje, zij hoort nog bij de oorspronkelijke groep eerste bewoners in onze dierentuin,’ leest een meisje. Ik ken het bordje uit mijn hoofd en zeg de woorden over mijn oma mee in mijn hoofd. ‘Ondertussen is ze oud en dement, maar om haar te eren, mag ze haar oude dagen bij haar kinderen en kleinkinderen slijten.’
Niemand van onze groep weet wat dement betekent, maar dat geeft niet, want we houden van haar.
‘Hoe is het met je?’ Mijn zusje Stien komt naar me toegelopen. Ze houdt haar handen om haar bolle buik gevouwen.
‘Ik voel me raar vandaag,’ antwoord ik eerlijk.
‘Waar heb je last van?’
‘Mijn onderbuik is verkrampt,’ zeg ik.
‘Misschien is het dan wel eindelijk zover,’ zegt Stien.
‘Wat?’
‘Dat wat oma Zeros ongesteld noemt.’
‘Hè, bah,’ zeg ik. Ik weet van Stien en mama hoe het werkt. Op een gegeven moment ben je oud genoeg en begin je aan de onderkant te bloeden. Vanaf dan ben je volwassen en wordt je eens in de maand bij een van de jongens in een aparte kamer gezet. Wat er dan moet gebeuren, heeft echter niemand me verteld. Stien weigert er al helemaal over te praten. Zij werd telkens bij Adrie gezet, die kwal van een jongen uit een andere familie. Ik ben altijd dankbaar geweest dat mijn ongesteldheid op zich liet wachten, want Stien veranderde van vrolijk meisje al snel in een neergeslagen versie van zichzelf. Stil. Teruggetrokken. Angstig.
‘Hoe gaat het met jou?’ vraag ik haar, maar ze haalt zoals altijd alleen haar schouders op. Er rolt een traan over haar gezicht. Dat gebeurt altijd, maar er niet naar vragen vind ik vervelender dan doen alsof er nooit iets heeft plaatsgevonden. Op een dag zal ik ontdekken wat.

© United in the Avalanche

Het meisje aan de andere kant van het hek is intussen bij mijn bordje aangekomen. Ze leest ook deze keurig voor. ‘Eena is te herkennen aan haar blonde haren en tengere bouw.’ Ja, dat ben ik. ‘Helaas is tijdens recent onderzoek gebleken dat ze niet langer nuttig is voor de groep en ze zal binnenkort de dierentuin gaan verlaten.’
Huh, wacht, wát? Dat gaat niet over mij, toch? Dit hoort er helemaal niet te staan! Hebben ze vannacht de bordjes aangepast? En over welk onderzoek gaat het? Ik herinner me helemaal niks van een onderzoek.
‘Waar heb je het over?’ schreeuw ik naar het hek. De bezoekers schrikken van mijn geroep, maar zoals altijd antwoorden ze niet. Ze verstaan ons niet, terwijl wij elk woord wat zij zeggen kunnen volgen. Ze denken dat we dom zijn, dat we een zwakkere soort zijn dan zij, maar dat is niet waar.
‘Laat ze nou maar, ze kramen toch alleen maar onzin uit,’ probeert oma Zeros me te sussen. ‘Vroeger probeerden we ook terug te praten, het heeft maanden geduurd voordat we doorhadden dat ze ons niet begrepen. Eigenlijk wel logisch. In mijn tijd, toen ik nog naar de dierentuin ging met mijn ouders, verstonden we de dieren ook nooit. Ik heb me toen altijd al afgevraagd wat ze van ons vonden vanuit hun kooien, maar ik had toen nooit gedacht het zelf mee te maken.’
Snel loop ik weg voordat ik heel oma’s levensverhaal opnieuw aan moet horen. Ik weet wel dat ze bij de groep hoort die hier als eerste aankwam, maar ik hoef er niet elke dag naar te luisteren. Verhalen over oorlogen, bombardementen en honger, ik ken ze allemaal, maar ik kan me er niks bij voorstellen. We hebben het goed hier. We krijgen goed te eten, we hebben spellen om ons mee te vermaken, relaxte stoelen om in te chillen. We hoeven niks en mogen alles. Wat wil een mens nog meer?
Een baby. Een stemmetje in mijn hoofd vertelt me het doel wat ons door de verzorgers is opgelegd. Baby’s houden de groep gezond, zeggen ze. Baby’s zorgen ervoor dat de soort niet uitsterft. Baby’s brengen nieuw leven. Baby’s hebben we nodig. Het is belangrijk.
Om eerlijk te zijn zit ik er niet echt op te wachten. Die dates met jongens van de andere families lijken me walgelijk en ik kan me niet voorstellen dat ik over een tijdje ook als Stien miserabel door ons verblijf zal lopen.
Maar wat heeft mijn ongesteldheid te maken met wat er nu ineens op mijn bordje staat? Het liefst loop ik ernaartoe en draai ik het ding om zodat ik het zelf kan lezen. Dat gaat helaas niet door de stroom op het hek die ervoor zorgt dat we niet te dichtbij kunnen komen. De bezoekers schrikken daar blijkbaar van.
Een bel luidt. Fijn, tijd om de benen te strekken. Ik loop samen met oma naar het hek. Stien blijft achter. Sinds ze zwanger is, mag ze niet meer mee met de rondes door het park. We gaan met zijn allen in een rij staan, elke familie keurig bij elkaar. Ik sta bijna te springen om even naar buiten te gaan.
Onze vaste verzorger komt eraan gelopen en scant zijn hand bij het hek. Het slot klikt open en één voor één lopen we naar buiten. ‘Vandaag niet, Eena.’ De verzorger houdt me tegen en duwt me terug het verblijf in.
‘Waarom?’ vraag ik hem met mijn hoofd schuin. Ik weet dat ze onze lichaamstaal na al die jaren aardig begrijpen, maar de verzorger reageert niet en sluit de deur. Vanachter het hek zie ik mijn familie naar buiten lopen. Sommigen joggen, anderen rekken hun benen uitgebreid na een dag op hun luie stoel te hebben gezeten.
Zie je wel dat er iets niet klopt? Dat rare gevoel in mijn buik, het informatiebordje met nieuwe tekst en nu ook nog mijn favoriete moment van de dag dat me wordt afgepakt.
Stien komt naar me toe gelopen. ‘Ik denk dat je een onderzoek hebt gehad,’ zegt ze zacht.
‘Volgens mijn bordje wel, ja,’ zucht ik. ‘Ik kan me er alleen niets van herinneren.’
‘Dat had ik ook,’ zegt ze. ‘Ik werd naar wakker, maar dat is het enige dat ik weet. Na een tijdje groeide mijn buik en wist ik dat ik zwanger was.’
‘Zomaar?’
‘Dat hebben ze tijdens het onderzoek gedaan, denk ik,’ zegt ze. ‘Omdat ik niet met Adrie wilde.’
‘Kan dat dan?’
Stien haalt haar schouders op. ‘Blijkbaar. Sinds die ochtend staat op mijn bordje dat ik een paar ben met Adrie, maar dat is niet waar.’
Dan loopt ze sip weg. Het is voor het eerst dat ze me meer vertelt over haar onderzoek. Het is vreemd, bedenk ik me. Ik heb nog helemaal geen jongens apart gezien. Ik bloed nog niet eens. Waarom zouden ze me dan onderzoeken? En zouden ze dan hetzelfde hebben gedaan als bij Stien?
Ik voel me vies. Ze hebben zomaar aan me gezeten. Ze hebben zomaar aan Stien gezeten.
Ik kijk om me heen en zie ons verblijf voor het eerst wat het echt is. Een kooi. Een hok. Een gevangenis.
We zitten vast. Niet alleen achter de tralies, maar ook in wat we doen en wie we zijn. We kunnen niet voor onszelf kiezen. We kunnen onze toekomst niet bepalen. We doen wat ons wordt opgedragen en zijn daar dankbaar voor.
Dan komt de groep terug met onze verzorger. Ik ren naar de deur en klamp me aan hem vast. ‘Vertel me dan wat er aan de hand is!’ schreeuw ik wanhopig naar hem.
‘Ssst, zo kan ik je niet helpen, Eena.’ Hij houdt zijn pols voor me uitgestrekt in een houding alsof hij me van zich af probeert te duwen, maar hij zet geen kracht. Mijn blik valt op zijn arm en ik zie een veld tekens oplichten. Ik ontwaar de vormen 1-A, maar ik heb geen idee wat er staat.
‘Je bent al achttien en je bloedt nog steeds niet,’ sist de verzorger naar me. Ik knik, ten teken dat ik hem begrijp. ‘We hebben onderzocht waardoor dat komt en je hebt minder ontwikkelde voortplantingsorganen. Je bent wat we intersekse noemen. Je bent nutteloos voor het programma, daarom willen ze van je af. Voorgoed.’
Ik zet van schrik een stap achteruit. Wat zegt hij nu?
‘Kom met me mee, dan zorg ik dat ze niet weten waar je je bevindt.’
Ik draai me om en kijk nog één keer het verblijf in. Oma Zeros met haar rare verhalen. Mijn jongere zusje Stien met haar bolle buik en angstige blik. Kan ik ze zomaar achterlaten?
Maar wat als ik het niet doe? De vrijheid wacht daar op me.
Dus draai ik me om en kijk niet meer terug.

 

© Marcel van der Sleen

Over de auteur:
Rien is een echte verhalenverteller. Die vertelt verhalen in beeld als vormgever, maar opent meer dan eens stiekem diens manuscripten tijdens het werk om verder te schrijven. Rien is autistisch en non-binair en vindt realistische representatie in diens werk erg belangrijk. Onlangs verscheen Riens eerste publicatie in de bundel ‘Winterwonder in het Peak District’. Normaal werkt die aan feelgood of hedendaagse verhalen, maar dit uitstapje naar sci-fi smaakt zeker naar meer!

Over de illustrator:
United in the Avalanche (artiestennaam van Pieter de Coninck) is grotendeels autodidact tekenaar en digitaal schilder (en fervent lezer). Hij is een groot liefhebber van alle soorten fantasy en sci-fi, wel eerder volwassen dan YA. Hij ontwerpt boekcovers en illustreert ook in opdracht. Zijn stijl ligt tussen comic art en realisme. Meer over United in the Avalanch kun je vinden op zijn instagramaccount.

 

© 2020 – 2026 Fantasize, Rien Speulman & United in the Avalanche

You cannot copy content of this page