Door Johan Klein Haneveld
Vanaf het moment dat ik de felrood geschubde bomen zag en het hoornharde gras voelde knappen onder mijn laarzen, wist ik dat ik mijn doel genaderd was. Ik bleef een ogenblik staan, mijn handen op mijn bovenbenen. Mijn adem kwam in stoten en er dreven zwarte vlekjes door mijn gezichtsveld. Het afgelopen half uur had ik aan één stuk door gerend, sinds ik de brul tussen de bergen had horen galmen en het licht van vlammen tegen de wolken had zien opgloeien. Langzaam begon de pijn in mijn linker zij gelukkig af te nemen. Ik zette me weer in beweging, rustiger nu.
Er kon geen twijfel meer bestaan over de richting die ik in moest. De toppen van de sparren boven mijn hoofd waren afgebroken. Sommigen hingen nog aan flarden als de slingers van een klok, anderen lagen in sme...