woensdag, januari 14

Fantasize jongerenschrijfwedstrijd Kom zoals je bent – eerste plaats – leeftijdscategorie 15-20 jaar: Een draak van een lief van Imke Vermeij

Een draak van een lief
Door Imke Vermeij

Nona Stormrijder had drie dingen geleerd in haar leven: vertrouw nooit op een edelman met zachte handen, een paard liegt nooit over modder en als een opdracht klinkt alsof je er rijk van wordt én tegelijk dood van gaat, dan klopt meestal alleen dat laatste.
Ze zat op dat moment in een aftandse herberg met een naam als ‘De Zilveren Eikel’ of iets even tragisch, haar laarzen op tafel, haar blik op haar bier, toen een bode haar vond. Zijn tabberd was strakgestreken, zijn laarzen ongeschonden en zijn ogen hadden die licht trillende glans van iemand die zijn leven liever zou slijten in de schaduw van een postkantoor dan staan tegenover een vrouw met een zwaard groter dan hijzelf.
‘Bent u … Stormrijder?’ vroeg hij, terwijl hij iets uit zijn mouw haalde dat bedoeld was als brief maar eruitzag als een stuk perkament dat te dicht bij een kandelaar had geslapen.
‘Meestal,’ antwoordde ze, zonder op te kijken.
De opdracht was simpel. Vind de draak, ja, dé draak, schubben, vuur, tandengeknars, de hele mythologische mikmak, en versla hem. Als bewijs: breng zijn hart. Of kop. Of klauw. De exacte lichaamsdelen waren minder belangrijk. De beloning: vijf kisten goud en dan nog eentje extra als ze het binnen de maand deed.
Nona nam de brief aan, bekeek het zegel, zag de stempel van een koninklijk huis dat berucht was om zijn voorkeur voor ingewikkelde beloften en onbetaalde rekeningen. Er zat zelfs een gedetailleerde kaart bij. Ze glimlachte. Niet omdat ze het geloofde, maar omdat ze wist dat haar zadel weer iets te doen zou hebben.
Een draak. Een échte. Geen boerenlegende of oververhitte hagedis. De laatste keer dat iemand een draak had gezien, waren kronieken nog handgeschreven en geurden naar vergeeld perkament. Maar ja, waarom niet? Ze had ooit een banshee geslagen met een koekenpan en een vloek ongedaan gemaakt met een leugen, dus alles was mogelijk.
Ze pakte haar zwaard, de kaart en haar chronisch onbetrouwbare kompas. Op weg naar de Rangarengo-bergen, waar de draak zich volgens de overlevering had teruggetrokken om redenen die niemand zich kon herinneren. Ironisch, want draken stonden juist bekend om hun goede geheugen.
En zo begon Nona’s tocht. Voor heldendom, noch glorie, maar voor glanzend goud. En heel misschien verveelde ze zich. Wat ze nog niet wist, was dat het niet het monster was dat haar leven zou veranderen, maar de kleine dingen onderweg. Dingen met snorharen, capes, en een voorliefde voor theatrale entrees.

#

© Yvonne Vetjens

De derde dag van haar reis begon met regen, hardnekkig, koud en persoonlijk. Nona Stormrijder, doorweekt tot op haar ondergoed, humeur ergens tussen ‘mild vijandig’ en ‘moordlustig’, hield halt onder een boom die te klein was. Ze haalde gedroogd vlees tevoorschijn dat op een oude zool leek en vroeg zich af of draken soms vegetariër konden zijn.
Toen hoorde ze het: het zachte klak-klak van pootjes op steen. ‘Goedemiddag, krijgshaftig meisje,’ klonk een stem met het timbre van een rokerige salon en het zelfvertrouwen van een soufflé die nooit instort. Ze keek op. Daar stond hij, voor die grenssteen.
Een kat. Een gevlekte kater, wit met okergeel en zwart, met een kleine, perfect afgemeten rode cape over zijn rug gespeld. Aan zijn voorpoot bungelde een belachelijk chic miniatuurrapiertje.
Nona knipperde. Ze droomde zeker.
De kat maakte een korte buiging. ‘Sta mij toe mij voor te stellen: Seigneur Calico de Drakentemmer, avonturier, diplomaat en soms ook fluitspeler.’
‘Een kat,’ zei Nona droog, ‘met een modeprobleem.’
‘Een gecultiveerde metgezel,’ corrigeerde hij beleefd. ‘En zoals mijn titel suggereert: niet onkundig in de kunst van het drakenbeheer. En jij bent duidelijk op weg naar de draak.’
Ze besloot, tegen beter weten in, het gesprek voort te zetten. Misschien omdat haar hersens nog in de war waren van de kou of omdat ze het beu was alleen tegen haar paard te praten. Het dier luisterde wel, maar antwoordde zelden. ‘Hoe weet jij dat?’
De kat stapte opzij en de grenssteen werd zichtbaar. Er stond een ruwe tekening van een draak met een pijl op. ‘Iedereen die hier langskomt zoekt de draak. En laat ik daar nu iets voor hebben.’
‘Goed, loop mee en praat,’ zei Nona.
Calico vertelde, tussen het prevelen van aristocratisch kattenlatijn door, dat hij ooit had samengewerkt met een zekere toverkol genaamd Mevrouw Snerp. Ze was hem nog iets schuldig, een toverspreuk, of een pot augurken. In elk geval: ze konden haar opzoeken. Ze wist dingen. Over draken. En, zo fluisterde hij samenzweerderig, had ze ‘iets gebrouwen dat nuttig kon zijn als doden niet wenselijk is, maar onschadelijk maken wel.’ Een drankje, een elixer, een vloeibaar moreel compromis.
Nona haalde haar schouders op. Wat kon er misgaan? Behalve alles.
En dus gingen ze samen verder, de huurlinge en de kat met de cape, een duo als uit een fout toneelstuk. Ze reisden oostwaarts door bossen en over paden die alleen in nachtmerries voorkwamen.
En onderweg gebeurde er iets raars. Nona, die normaal alleen lachte als iemand struikelde over zijn eigen zwaard, betrapte zichzelf op het optrekken van haar mondhoeken. Heel soms. Als Calico weer eens een veldslag dirigeerde met zijn staart. Of als hij haar een bijnaam gaf als ‘gevechtsgodin’. Ze vroeg zich af of ze niet langzaam gek werd. Dat bleek mee te vallen. Dat kwam later pas.

#

Mevrouw Snerp woonde in een huis op kippenpoten, wat al veel zei over haar prioriteiten. Binnen rook het naar oud papier. Ze begroette Calico met een vermoeid ‘Ah, de kat,’ alsof hij een belastinginspecteur was.
Ze gaf hen zonder veel theater een flesje met een vloeistof die eruitzag als een kolkende regenboog. ‘Gooi dit in z’n bek vóór hij vuurspuwt,’ zei ze. ‘Niet daarna. Tenzij je geroosterd wilt worden.’
En zo gingen de huurlinge en de kat verder, in de richting van de Rangarengo-bergen, over een pad dat stonk naar oude angst. Voor een roetige grot zagen ze hem, de draak. Groot, glanzend en in rust, zoals alleen iets kan rusten dat zich geen zorgen hoeft te maken over consequenties.
Nona bereidde zich voor op een heroïsche, doch waarschijnlijk noodlottige, aanval. Maar Calico was al weg.
De draak hief zijn kop, opende zijn bek, een vuurgrom borrelde omhoog, maar: pling. Flesje in de keel. Een schok, een kuch, een gorgel en … transformatie.
De rode schubben verdwenen. De vleugels krompen. Wat overbleef was een jongeman, jong, naakt, verward en met het flesje nog in zijn keel, wat zijn eerste woorden aanzienlijk belemmerde. Hij begon te stikken.
Nona sprong naar voren, vloekte, sloeg hem op de rug. Nog een keer. Toen schoot het flesje los en de jongen hapte naar adem.
Ze keken elkaar aan. Hij knipperde. Zij zuchtte.
Ze keek naar de kat. ‘Waarom is hij zo mooi?’ fluisterde ze.
‘Genetische verfijning,’ klonk Calico’s stem vanaf een nabijgelegen steen. ‘En een beetje geluk.’

#

De jongen zat op een rots, een deken om zijn schouders, zijn blik vol schaamte. Nona stond naast hem, armen over elkaar, peinzend of ze nu een heldin, een verlosser of een dief van drakenverlegenheid was.
‘Ik … was een draak?’ vroeg hij met een stem die klonk alsof hij zijn puberteit nog aan het verwerken was.
‘Technisch gezien: ja. Praktisch gezien was je een probleem,’ zei Nona.
Calico rekte zich uit op een steen en geeuwde. ‘Vervloekt, natuurlijk. Klassiek gevalletje. Iets met een jaloerse tovenaar, een prins, een spiegel en een verkeerd uitgesproken bezwering. Ze hadden je net zo goed in een theepot kunnen veranderen, maar nee, altijd weer draken.’
De jongen, die zich inmiddels voorstelde als Elion, was verlegen, maar ontwapenend. Zijn dankbaarheid was intens en enigszins klunzig, wat haar wantrouwig maakte. Niemand zei zó vaak ‘dank je’ zonder bijbedoelingen. Maar toch … er was iets aan zijn manier van kijken. Alsof ze méér was dan alleen haar zwaard.
Ze vertelden hem over het goud. Elion keek schuldbewust. ‘Ik … heb het verbrand. Denk ik. Per ongeluk. Of uit frustratie. Moeilijk te zeggen als je schubben hebt.’
Nona knikte. Natuurlijk. Geen goud. Geen kisten. Geen winst. Maar toen keek hij haar aan, recht aan, niet zoals mannen dat normaal bij haar durfden. En zij, tegen wil en dank, voelde een sprankeltje dat niet van haar voorliefde voor avontuur kwam. Misschien, dacht ze, was dit wel wat echte beloning betekende: geen rijkdom, maar iemand die je aankijkt alsof je geen huurlinge bent, maar een verhaal op zich.
Calico strekte zich nogmaals uit, deed een dutje van precies acht seconden en sprong toen op met theatrale flair. ‘Wel, ik denk dat mijn werk hier gedaan is!’ riep hij. ‘Twee zielen gered, één vloek gebroken, nul katten gewond. Statistisch gezien een uitstekende dag.’
Nona fronste. ‘En wat ga jij nu doen?’
De kat hief zijn kop met koninklijke gratie. ‘Ik? Ik ga naar een kuuroord in de Vallei der Valse Beloftes. Daar hebben ze tonijnbuffetten en niemand stelt lastige vragen.’
Hij draaide zich om met wapperende cape. ‘Liefde is mooi,’ zei hij nog, terwijl hij wegliep, ‘maar ik slaap toch liever in mijn eentje. Nooit rust bij snurkende prinsen.’

 

© Marcel van der Sleen

Over de auteur:
Imke Vermeij doet aan abstracte schilderkunst en schrijft verhalen en gedichten. Dit is pas haar derde verhaal. Ook haar oudere zus en broer schrijven, maar heel andere genres. Zelf houdt ze vooral van fantasy. Imke bezoekt graag tentoonstellingen over impressionisten.

Over de illustrator:
Yvonne Vetjens tekent en schildert al zolang ze zich kan herinneren. Ze combineert (magisch) realisme met fantasy en folklore. Ook kunsthistorische stromingen zoals het Pre-Rafaëlitisme, de Art-Nouveau en de noordelijke Renaissance hebben een grote invloed. Haar favoriete gereedschappen zijn potlood, inkt, aquarel en papier.

 

© – 2020 – 2026 Fantasize, Imke Vermeij & Yvonne Vetjens

You cannot copy content of this page