dinsdag, februari 10

Boekrecensie: Verwarring en vervreemding in Geluk, dé handleiding van Marius Vahlkamp

Door Sigrid Lensink-Damen

Geluk, dé handleiding is een fragmentarisch relaas van een ik-persoon. Het boek is opgebouwd uit een proloog, zes delen, een epiloog en een slotbeschouwing, alle voorafgegaan door een grijze pagina met enkele citaten, waarvan die van Charlie Sheen het meest in het oog springen. In het eerste deel bezoekt de hoofdpersoon ‘de wijk’, het gedeelte van zijn woonplaats waar de sekswerkers zetelen, en hij beschrijft zijn bezoekjes aan de dames, geeft karakterschetsen en verhaalt over de gang van zaken zonder in de smeuïge details te vervallen, terwijl het daar óók over gaat. In de overige delen komen werkkring, los-vaste vriendinnen en schrijnende herinneringen aan bod en wordt het boek allengs ongrijpbaarder. Tussen de verhalen en fragmenten duiken hier en daar gedichten op.
Het boek liet mij in verwarring achter. Wat had ik nu precies gelezen? En hoort deze recensie wel op Fantasize thuis?

Autofictie
De verwarring ontstaat op diverse niveaus. Het begint al op de achterflap, waar staat dat dit het debuut van Marius Vahlkamp is: “De autofictie vooraan in het boek vloeit over in fantastische en absurde vertellingen die geïnspireerd zijn op wat hij heeft meegemaakt.”
Als je niet beter weet dan dat Vahlkamp een eigen individu is, met een leven, werk, gedachten en dingen die hij heeft meegemaakt, dan is dit een zakelijke mededeling. Maar omdat ik weet dat Vahlkamp een pseudoniem is, waarachter een heel ander persoon schuilt dan naar voren komt uit het boek, rijst de vraag wiens verhalen met autobiografische insteek we nu eigenlijk lezen. Die van Marius Vahlkamp? Of die van zijn fysieke alter ego Finn Audenaert? Uit welke herinneringen heeft Finn dan geput? Omdat ik Finn enkele malen heb ontmoet en een bepaald beeld van hem heb, zijn de beschrijvingen naar zijn bezoekjes aan de wijk en de vele dames voor mij moeilijk te rijmen met zijn persoon. Bedriegt de schijn? Laat ik me te veel leiden door de term ‘autofictie’? Is het toch puur fictie zonder greintje autobiografie?
Dat Marius in die wijk rondhangt, geloof ik zonder meer, maar Finn? Ook omdat het met een van de dames in de wijk bijna noodlottig afloopt en er meer #MeToo-achtige taferelen in het boek voorkomen, kan ik me dat autobiografische van het eerste deel maar moeilijk voorstellen.
Zelf zegt Finn er in een Facebookpost van 22 november 2025 het volgende over: “Al bij het eerste stuk dat ik voor ‘Geluk’ schreef, nl. ‘Ben je dood?/Philisterland’, waarbij ik veel van mijn familieleven blootgaf, werd me duidelijk dat publicatie onder eigen naam minder evident was. […] de HP en ik zijn toch voor 90% gelijk – en de HP toont zich hier geen goede mens.”

Foto: © Sigrid Lensink-Damen

Wat Audenaert doet met de pseudonimisering van zijn hele persoon, wekt dus verwarring op over wat ‘waargebeurd’ is en wat niet, maar dat lijkt mij – terugkijkend – precies de bedoeling. Want hoewel de hoofdpersoon zich “geen goede mens” toont, biedt de pseudonimisering precies de juiste afstand tot de gebeurtenissen, zodat ze een spiegel vormen voor zowel de auteur als voor de lezer.
“Er zijn geen excuses voor wat de hoofdpersoon (ik) gedaan heeft, hoogstens aanleidingen. Die laatste heb ik dan ook zo klinisch mogelijk beschreven,” meldt Audenaert in diezelfde Facebookpost. Een literaire boetedoening?

Fragmenten
Het tweede niveau van verwarring zijn al die fragmenten, al die bij elkaar geraapte verhalen, vignetten, stukjes en gedichten. Die laatste hadden wat mij betreft niet gehoeven, want ze zijn van discutabele kwaliteit. In de overige fragmenten zit een hiërarchie, zoals ook al netjes aangekondigd werd in de geciteerde achterflapzin: de verhalen worden fantastischer en absurder. Maar wat vertellen ze? Wat krijgen we mee uit dit samenraapsel van stijlen en tekst?

Om de verwarring de baas te blijven, laat ik mijn kennis over Finn Audenaert los en schuif daar Marius Vahlkamp als alter ego, als personage overheen. Dan komt er een beeld van een (fictieve) man boven die niet per se slaagt in het leven – of überhaupt in leven. Hij wil verdwijnen in vluchtige contacten, ziet daar tegelijkertijd eeuwigheidswaarde in, totdat een van zijn favoriete meisjes uit de wijk vertrekt. Vanaf dat moment zwalkt hij door de wijk, door het leven en door gebeurtenissen en probeert hij afstand te nemen door het allemaal abstracter te maken en te bekijken vanuit het absurde. Alsof het dan niet over hemzelf gaat, maar over een personage…
De verhalen van Vahlkamp gaan onder je huid zitten. Ze schrijnen en krabben aan plekken van het menselijke bestaan waar je niet wil komen, wat bedekt moet blijven. Het resultaat is een meedogenloos eerlijk beeld van een man die maar wat aanrommelt en hunkert naar liefde en het niet vindt, het forceert of ervoor wegvlucht op het moment dat het hem per ongeluk treft. Het is meelijwekkend, onroerend, schrijnend en ja, soms zelfs grappig.

Charlie Sheen
Die citaten van Charlie Sheen. Wat moet ik daarmee? Ze verwarren me omdat ik er niet direct iets mee kan. Die Sheen heeft een enorm ego en komt niet bepaald sympathiek over, maar heeft blijkbaar wel een boodschap. Hoe resoneren die citaten met de fragmenten van Vahlkamps proza? Mij zeggen ze niets, maar ik heb het donkerbruine vermoeden dat ik iets mis.
Als ik een interview lees van Peter De Backer met Marius Vahlkamp/Finn Audenaert, klopt dat: Charlie Sheen is bipolair en Vahlkamp (Audenaert?) is dat ook. Daarmee vallen een aantal puzzelstukjes op hun plek, maar aangezien ikzelf weinig ervaring heb met bipolariteit, pik ik de signalen in de vertelling niet op. Ik vraag me ook af of het een nuttig weetje is, want het effect van de citaten in combinatie met de fragmenten en de verhalen is van een andere soort: de lezer gaat Charlie Sheen meer zien als extreem geval, maar wel een geval dat van falen een kunst heeft gemaakt. Vahlkamp is nog niet op dat punt en dat biedt hoop voor zowel personage als lezer: het kan altijd erger.

Genre
De vierde verwarring zit hem in het feit dat het boek moeilijk te classificeren is in een genre. Het is autofictie, dus realisme, maar is het vanwege de pseudonimisering ook weer niet: hoe realistisch is de autofictie van een personage?
Het boek valt niet in een ‘fantastisch’ genre, maar toch ook weer wél omdat er ‘fantastische’, magisch-realistische en absurde verhalen in voorkomen. Daarbij past het geheel – pseudonimisering, fictief maken van autobiografische ervaringen, verhaaltjes en gedichten – in een Vlaamse traditie van absurdisme, surrealisme en magisch-realisme, zoals we dat bij Frank Roger, John Flanders en anderen ook kunnen aantreffen.
Dit vierde niveau van verwarring zit hem dus in een verschil in cultuur tussen Nederland en Vlaanderen: de traditie van het magisch-realisme en absurdisme heeft in Nederland niet echt voet aan de grond gekregen en vergt van mij een extra vermogen om tot de kern te komen via al deze lagen. Is me dat gelukt? Ik zou het eerlijk gezegd niet weten.

Conclusie
Geluk, dé handleiding is een boek dat verwart en waarvan vooral het eerste deel goed gecomponeerd en geschreven is en beklijft. De fragmenten, verhalen en gedichten van de overige delen geven diepgang aan het eerste deel en laten een beeld achter van een beschadigd en zoekend personage dat misschien wel voor 90% samenvalt met zijn geestelijk vader, maar dat niet per se dezelfde persoon is. Geluk, dé handleiding is daardoor een zeldzame leeservaring en dient een plek te krijgen in de literatuurcanon van de lage landen.

You cannot copy content of this page