Vertellingen: De Incunabel van Asgard – Mike Jansen

9364E-155327220957

Door Mike Jansen
Pseudoniem: Sir Charge (Michael Blommaert)

Het was een zomer als geen andere in de afgelopen tien jaren. 1665 zou de geschiedenis ingaan als een zinderend jaar. Hun schip lag voor anker voor de rede van Amsterdam, te wachten op het zuchtje wind dat hen de Zuyderzee uit kon blazen.

Jan Swammerdam zuchtte diep en bestudeerde het silhouet van Amsterdam, meer dan een mijl verderop. De stad zuchtte onder de ongebruikelijke hitte en dat was een van de weinige voordelen van het verblijf aan boord van de Seedraeck, de koelte van het Zuyderzeewater.

Hij liep naar de andere zijde van het schip waar hij aan de horizon nog net de kerktoren van Marcken boven de horizon zag uitsteken.

Heer Skaldir stond over het boord gebogen, maar zijn massieve gestalte bleef indrukwekkend. Zijn haar was samengebonden onder een kleurige sjaal, zoals de potsenmakers op de jaarmarkten dat plachten te doen. Bedachtzaam bestudeerde hij de kolkingen van het water van de Amstel dat zich hier vermengde met het brakke zeewater. Hij trok zachtjes aan zijn Goudsche pijp en de zoete rook dreef in de richting van Swammerdam.

‘Verstoort deze windstilte ons schema?’ vroeg Swammerdam.

‘Vanavond steekt de wind op,’ zei Skaldir. Zijn stem was zacht, maar krachtig en Swammerdam merkte regelmatig op hoe ver die stem droeg. Hij vermoedde meer achter Skaldir, maar de man had zijn verhalen nog niet met hem gedeeld. Wel zijn doelen.

‘We zijn op tijd voor de zonnewende?’ vroeg Swammerdam.

‘Absoluut,’ antwoordde Skaldir. Hij keek naar Swammerdam met zijn diepblauwe ogen tot Swammerdam knipperde en wegkeek.

—-

Het ongemak dat Skaldir bij Swammerdam veroorzaakte begon drie maanden eerder al, toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten in de Sociëteit der Vorschende Heeren aan de Turfmarkt. Hij was op dat moment in druk gesprek met de Graaf, een jong maar veelbelovend doctor en van Leeuwenhoek die net als Swammerdam een groot liefhebber van het naturalistisch gedachtengoed was.

Midden in een verhandeling die hij hield over massaverhoudingen in spierbundels in contractie, kwam een breedgeschouderd heerschap bij het groepje staan. Hij leunde tegen de eiken haardmantel en keek Swammerdam indringend aan, zoals hij dat ook nu weer deed, tot Swammerdam begon te haperen.

‘En wat is uw mening hierover, waarde heer?’ vroeg Swammerdam de nieuwkomer. Hoewel aller ogen zich nu op hem richtten bleef deze onbewogen.

‘Mijn mening is dat je dit soort zaken moet meten, voor je er theorieën over kunt ontwikkelen,’ sprak hij. Zijn stem was helder, maar donker en krachtig.

‘Aha,’ zei van Leeuwenhoek, ‘maar wat te meten. En vooral, hoe?’

‘Inderdaad,’ zei de nieuwkomer. ‘En soms heb je instrumenten nodig om de waarheid uit te vinden. Een lens om details te vergroten. Een zuivere waag om verschillen te meten. Een uurwerk dat de tijd altijd in perfecte eenheden weergeeft, in plaats van afhankelijk te zijn van de windingen van een veer of het gewicht van een pendule.’

‘U hangt overduidelijk de naturalistische gedachte aan, meneer…’ Swammerdam liet de vraag hangen.

‘Skaldir. Noem mij maar Skaldir,’ zei de nieuwkomer. Hij reikte Swammerdam de hand, toen de Graaf en als laatste van Leeuwenhoek. Zijn handdruk was ferm en Swammerdam meende kleine, harde stoppeltjes op de rug van zijn hand te voelen.

‘Ach, bent u toevallig lid van de Deense Stroming?’ vroeg de Graaf. ‘Uw uitspraak van onze taal klonk mij al iets zangerig in de oren.’

Heer Skaldir schudde zijn hoofd. ‘Nee, hoewel ik uit die contreien stam, hang ik hun semi-naturalisme niet aan. Zij werken teveel met aannames. Ik wens alleen met zekerheden te werken. Goddelijke interventie. Je kunt net zo goed meteen magie roepen.’

‘Maar u bent toch wel een godvruchtig mens?’ vroeg Swammerdam achterdochtig.

Skaldir keek hem aan. ‘Aan mijn overtuiging hierin hoeft u niet te twijfelen. Echter, ik vraag me af of uzelf niet tekort schiet in uw aannames over het functioneren van de natuur. Kennis en zekerheid horen hand in hand te worden verworven. Aannames zijn enkel opstapjes naar theorie die door meting bevestigd moet worden.’

Van Leeuwenhoek knikte en er brandde een nieuw vuur in zijn ogen. De Graaf keek bedachtzaam, alsof hij nieuwe ideeën aangereikt kreeg die hij moest verwerken.

‘Gezien uw Deense oorsprong, wat brengt u eigenlijk naar de Republiek?’ vroeg Swammerdam, nieuwsgierig naar de reden voor de aanwezigheid van deze interessante vreemdeling.

Skaldir grijnsde. ‘Hoewel de Republiek niet uitblinkt in zuiver rationalisme, heeft zij een ongemeen diepgaande kennis van financiën en handel. Ik zoek fondsen en bemanning voor een expeditie om antieke, maar echte kennis te verwerven.’

Swammerdam schudde zijn hoofd. ‘Op dit moment zijn de verhoudingen met de buurlanden van dien aard dat investeringen in schepen naar de Oost of West zelden worden gedaan. Het risico is te groot. Voor handel wordt nog wel eens een uitzondering gemaakt, maar een expeditie voor naturalistische kennisverrijking, dat ziet men als geldverspilling.’

‘Dat begrijp ik,’ zei Skaldir. ‘Mijn behoefte is eerder aan bemanning, slechts in tweede plaats fondsen.’

‘Matrozen zijn snel gevonden, schepen zijn er genoeg,’ zei de Graaf.

‘Ik denk dat heer Skaldir daar niet op doelt,’ zei van Leeuwenhoek. ‘Hij is niet voor niets bij ons komen staan. Hij zoekt naturalisten. Vorsers zoals wij.’

Heer Skaldir neeg het hoofd. ‘Ik merk dat ik mij in scherp gezelschap bevind. Inderdaad, ik zoek mede-naturalisten om de kennis die ik verwacht te verwerven op waarde te schatten en onder hun collegae te verspreiden.’ Hij wenkte een van de meiden en bestelde cognac voor allen.

‘U zoekt bestaande kennis?’ vroeg Swammerdam.

‘Inderdaad,’ zei Skaldir. ‘Weet u wat verloren ging met Atlantis? Welk een gedachterijkdom ten onder ging met Babylon?’

Swammerdam dacht na. ‘Legenden vertellen ons dat deze volkeren hoogbeschaafd waren.’

‘Er zijn meer legenden. Ik stel voor de antieke kennis en wijsheid van Asgard te verwerven. Ik bezit feiten en kennis over de locatie van deze langvergeten stad,’ zei Skaldir. Hij wenkte de mannen naar de naastliggende kamer. ‘Zullen wij ons gesprek in de salon voortzetten?’

Tot diep in de nacht overlegde het groepje over mogelijkheden en onmogelijkheden en uiteindelijk besloten van Leeuwenhoek en de Graaf te investeren, zowel in geld als goederen.

Swammerdam zou Heer Skaldir vergezellen. Niet alleen om de investeringen van zijn landgenoten te bewaken, maar ook omdat de bestemming die Heer Skaldir voorstelde hem bijzonder aansprak.

Het doel dat hij voor ogen had was het ijzige binnenland van de noordelijke Deense landen, voorbij de zee, waar het legendarische Asgard verborgen lag onder eeuwig ijs.

—-

Aan het eind van de middag stak een briesje op dat de Seedraeck gezwind voortstuwde richting de vaargeul. Snel lag Marcken ter linkerzijde en niet veel later voeren zij ter hoogte van Enckhuyzen door het zuider- en daarna het noordergat. Vervolgens weken de kusten aan weerszijden en bij het vallen van de nacht liet de kapitein het anker uitgooien en de zeilen innemen.

De volgende dag was het briesje aangewakkerd en de zuidelijke hemel was gevuld met dreigende donderkoppen. Aan de horizon waren regelmatig helwitte bliksemvorken zichtbaar.

‘Indrukwekkend, niet?’ vroeg Swammerdam. Hij staarde in zuidelijke richting terwijl hij regelmatig een slok hete thee uit zijn tinnen beker nam.

‘Thor toont zijn woede. Hij zwaait zijn bliksemhamer en de lucht splijt met het geluid van donderende hoeven.’ Skaldir snoof diep van de frisse zeelucht. ‘Maar dat was lang geleden.’ Zijn glimlach leek weemoedig.

‘Ik prijs me allang gelukkig dat we er niet middenin zitten,’ zei Swammerdam. ‘Ik heb het eigenlijk niet zo op varen.’

‘We moeten de oversteek nog maken richting de noordelijke landen. De Deense Zee is zelden rustig,’ zei Skaldir. ‘Ik heb haar regelmatig bevaren en zij is misschien wel verraderlijker dan het Engelsche Nauw.’

Midden die dag voer de Seedraeck langs de eilanden Vlielandt en Der Schelling en met de aantrekkende zuidenwind liep zij hard voor de wind uit.

‘Met deze snelheid zullen we snel weer op schema liggen,’ zei Skaldir.

Swammerdam was op een rol touw gaan zitten. De bewegingen van het schip waren toch teveel voor hem geworden en zijn gezicht vertoonde een lichte groene tint. ‘Hoe eerder we weer aan land zijn, hoe liever,’ zei hij met zwakke stem.

Skaldir grijnsde. ‘Vier dagen, hooguit, als de wind aanhoudt.’ Hij keek omhoog en snoof de lucht. ‘Dat zit wel goed,’ zei hij tevreden.

Inderdaad schreeuwde de uitkijk aan het begin van de vijfde dag van hun reis ‘land in zicht!’

De kust van Noord Denemarken was rotsachtig en groen. Heer Skaldir overlegde met de kapitein van het schip die een koers in noordwestelijke richting parallel aan de kustlijn begon te volgen.

Nog een dag ging voorbij waarin de kusten steiler werden en heel in de verte de besneeuwde toppen van verafgelegen bergen zichtbaar werden.

‘Een van die ketens wordt door de lokale bevolking Hurrungane genoemd. Het zuidelijke deel van die keten wordt Jotunheim genoemd.’ Skaldir vertelde over de omgeving alsof hij er al vaak geweest was.

‘Je zou denken dat de mythologieën en overleveringen gebaseerd zijn op werkelijke plaatsen op het vasteland,’ merkte Swammerdam op, indachtig verhalen over Asgard, Midgard en Jotunheim.

Skaldir knikte. ‘Zo werkt het meestal met overlevering. Het wordt problematisch wanneer namen veranderen. Of, erger nog, wanneer de naam gelijk blijft maar het land zelf verandert of verzwolgen wordt door ijs of water.’

‘Zoals bij Asgard?’ vroeg Swammerdam. ‘Of zijn er andere voorbeelden?’

‘Ik noemde Atlantis al. Maar er zijn… waren andere, oudere steden die nu ondergelopen zijn. De zeebodem voor de kusten van de Republiek was ooit vruchtbaar land waar ossen en oliphanten graasden. Enkele tientallen mijlen uit de kust voor Zandvoort, waar De Bree-veertien zandbanken nu liggen.’ Inskaldir staarde naar de bergtoppen. ‘Trotse steden met machtige heersers. Allemaal verdwenen.’

‘Je vertelt erover alsof je ze zelf gezien hebt, Skaldir,’ merkte Swammerdam op.

Skaldir grijnsde. ‘Ik ben nu eenmaal een Skald, heer Swammerdam. Ik vertel de oude verhalen die van generatie op generatie zijn overgegeven. Zodat ze niet vergeten worden.’

‘En als ze wel vergeten worden, haalt u ze terug?’ vroeg Swammerdam.

‘Inderdaad,’ zei Skaldir. ‘Oude kennis om weer als nieuw te vertellen.’

—-

Op de negende dag voeren ze het brede fjord in die Skaldir aanwees.

‘Dit is de Sognefjord,’ vertelde Skaldir. ‘Hij voert diep het binnenland in en eindigt, of begint, bij een plaatsje genaamd Skjolden.’

Het water van het fjord was helder blauw. De matrozen wierpen hun meetlijnen uit en waren verbaasd te zien dat hun lijnen van meer dan honderd vadem geen bodem raakten.

‘Diep water,’ zei de kapitein tegen zijn passagiers. ‘In onbekende wateren weet ik graag wat er onder me zit, maar het lijkt dat ik me er hier geen zorgen over hoef te maken.’

Naarmate ze verder het fjord inzeilden werden de wanden steiler en de heuvels en bergtoppen telkens hoger tot ze ingesloten waren door bijna verticale rotswanden. Smalle stroken land langs de zijkanten waren rijk begroeid met gras, struiken en naaldbomen. Een enkel hutje sprak van de aanwezigheid van mensen in dit onherbergzame land. Op grotere stukken vlak land graasden schapen en een enkele koe.

‘Dit is een oud land, Skaldir,’ zei Swammerdam. Het mengsel van zee- en berglucht was machtig en hij snoof het diep in. ‘En het is schitterend.’

‘Ik spreek je nog wel als we door de gletsjerdalen lopen en je wordt opgegeten door de muskieten.’ Skaldir grijnsde.

Ze overnachtten in de monding van een gletsjerrivier. Swammerdam had geen last meer van zijn zeeziekte en het zachte ruisen van het stromende water suste hem snel in slaap.

De volgende ochtend vertrokken ze alweer vroeg en begin van de middag naderden ze een klein dorpje aan het eind van het fjord.

‘Skjolden,’ zei Skaldir. Hij liep naar de kapitein en fluisterde in zijn oor. De kapitein gebaarde naar een van zijn matrozen die een vlag hees, wit met horizontale, blauwe driehoeken met daarop een raaf met gespreide vleugels.

‘Is dat een soort signaalvlag?’ vroeg Swammerdam.

‘Zo kun je het zien,’ zei Skaldir. ‘Mijn voorvaderen komen uit deze omgeving en dit is het wapen van ons huis’

‘Adel?’ Swammerdam keek Skaldir aan, maar de andere man liet niets merken. Swammerdam haalde zijn schouders op.

De Seedraeck legde aan bij een van de steigers. Tegen de hellingen waren enkele dozijnen huizen gebouwd in de typerende stijl van de omgeving, met schuine, houten daken die bijna tot op de grond reikten. Bewerkte, uitstekende dwarsbalken toonden drakenhoofden en vreemdsoortige monsters op elk huis.

Een delegatie dorpelingen wachtte hen op en Skaldir was als eerste de loopplank af om hen te begroeten. Hij werd onthaald als een lang verloren zoon.

Swammerdam en de kapitein volgden terwijl de matrozen het schip schoonmaakten en de zeilen opborgen.

‘Heren,’ zei Skaldir. ‘De goede mannen en vrouwen van Skjolden nodigen ons uit voor een feestmaal vanavond. Dat kunnen we niet weigeren.’

Swammerdam glimlachte. Tot zover was de reis een grote ontdekkingstocht geweest die aan zijn gevoel voor avontuur en onderzoek appelleerde. ‘Dat lijkt me zeer interessant, heer Skaldir.’ De kapitein stemde in en hij liep terug naar het schip om een wacht voor de nacht aan te wijzen en de rest van de matrozen verlof te geven naar het feest te gaan.

De avond viel maar langzaam en de lucht bleef lange tijd helder. Op het dorpsplein was een groot vuur aangelegd waaromheen de dorpelingen dansten, aten en dronken.

Swammerdam genoot met volle teugen van vers geroosterd varken, verschillende soorten gekookte en gebraden vis, hard brood en een keur aan groenten en seizoensfruit.

Later die avond was er wat geroezemoes onder de dorpelingen en uiteindelijk kwam de hoofdman voor het vuur staan met een soort harp in zijn handen. Hij sprak wat onverstaanbare woorden, maar het werd al snel duidelijk dat hij probeerde Skaldir zo ver te krijgen het instrument te bespelen.

Uiteindelijk gaf hij toe, stond op en nam de harp in ontvangst. Een kort applaus volgde gevolgd door diepe stilte die alleen werd onderbroken door het kraken van brandend hout.

Voorzichtig plukte Skaldir aan de snaren en toverachtige klanken bereikten de toehoorders. Met zijn zachte, maar dragende stem begon Skaldir te zingen. Swammerdam verstond hem niet, maar hij zag om zich heen dat de mannen en vrouwen van Skjolden betoverd waren door zijn woorden. Vol bewondering luisterde hij vele minuten lang naar zijn reisgenoot.

Op het einde van het lied verschenen bij velen tranen in de ogen en ook de ogen van Skaldir zelf glinsterden in het licht van het vuur. Daarna werd het doodstil totdat de hoofdman de harp weer in ontvangst nam en Skaldir enkele woorden toesprak.

Het feest kabbelde rustig en gezellig verder en tegen middernacht zocht iedereen zijn bed op.

—-

Vanuit Skjolden voerde een pad langs verschillende weiden waar schapen en koeien graasden. Na de laatste wei stopte ook dat pad en bleef enkel de diepe vallei over waar door het midden een vuilbruine gletsjerbeek stroomde.

Skaldir ging voor met een wandelstok van acht voet lang en drie duimen dik, gevolgd door Swammerdam en drie matrozen, die door de kapitein als begeleiders waren aangeboden. ‘Janszen, Pietersen en Von Shirach,’ wees hij de mannen een voor een aan. ‘Mijn meest bedreven mannen met zwaard en vuursteenpistolen.’ Hij wilde zijn passagiers graag weer heel terugzien.

‘Hoe ver is het ongeveer lopen,’ vroeg Swammerdam hijgend. Zijn bepakking viel hem zwaar, hoewel hij wist dat hij alleen het hoognodige mee had genomen.

‘Vijfentwintig, dertig mijl. In de Republiek een dagje lopen. Hier kan dat twee dagen zijn,’ zei Skaldir terwijl hij moeiteloos een stel kale rotsen beklom die de weg blokkeerden.

Zodra de zon boven de rotsen steeg verschenen ook de muskieten en de waarschuwing van Skaldir bleek bewaarheid. Elk stukje onbedekte huid werd aangevallen en Swammerdam en de matrozen bleven het ongedierte van zich afslaan tot Skaldir hen liet zien welke modder ze moesten gebruiken om zich mee in te smeren. Vanaf dat moment werd het leven draaglijker.

Tegen de avond liet Skaldir ze ruim op tijd een plek zoeken om hun kamp op te slaan. Ze legden een vuur aan en zetten hun tenten van zeildoek op. Avondeten was gedroogd rendiervlees met bonen, een specialiteit die ze uit het dorp hadden meegekregen.

Skaldir tekende een kaart van de omgeving op de grond. ‘We zijn hier.’ Hij wees op een plek halverwege hun bestemming. ‘Hier begon ooit de Nigardsbreen.’

‘Ik zie om ons heen alleen maar bergtoppen en gletsjerijs. Hoe weten we wat de goede gletsjer is,’ vroeg Swammerdam.

Skaldir keek over zijn schouder in de richting van de Nigardsbreen, maar de gletsjer was nog te ver verwijderd. ‘Als we in de buurt zijn zul je het begrijpen, Swammerdam. Wat je hier ziet zijn slechts schamele ijsplaten.’

De volgende ochtend was er bewolking en er viel af en toe een miezerige regen uit.

‘Dit is slecht voor onze plannen, Skaldir,’ hijgde Swammerdam terwijl hij de grote man probeerde bij te houden.’

‘Een beetje vertrouwen, Swammerdam,’ sprak Skaldir. ‘Dit is een moment om je geloof toe te passen op je omgeving. Geloof dat het goed komt.’

‘Makkelijk gezegd, ik zie deze miezer wel doorgaan en we hebben morgen zonlicht nodig.’

‘Morgen is niet vandaag, Swammerdam,’ zei Skaldir vol vertrouwen. ‘Morgen schijnt de zon.’

Ook deze dag liet Skaldir bijtijds stoppen en het kamp opzetten. Ze waren de Nigardsbreen nu tot op een mijl genaderd en Swammerdam moest schoorvoetend toegeven dat de muur van ijs die hij zag opdoemen inderdaad anders was dan het overhangende ijs dat hij tot dan toe gezien had.

Bij het kampvuur namen ze het plan van Skaldir nogmaals door. De matrozen maakten hun pistolen schoon en scherpten hun zwaarden.

‘Je bent er zeker van dat de grot er nog is?’ vroeg Swammerdam. ‘Immers, die gletsjer schuurt nogal wat rots weg.’

‘Heel zeker,’ zei Skaldir. ‘Die zit op een punt waar de gletsjer minder hard de rotsen uitschuurt.’

‘Morgen rond het middaguur is de zomerzonnewende,’ ging Swammerdam verder. ‘Dat is schijnbaar belangrijk. Heb je de stok?’

Skaldir toonde hem zijn wandelstok. ‘Klaar voor gebruik.’

‘Stel nu we vinden de toegang, wat kunnen we verwachten?’

‘Dat vertel ik je zodra we binnen zijn,’ zei Skaldir. Hij grijnsde. ‘Ik zei al dat ik mijn redenen had om dat deel nog even voor me te houden. Heb ik tot nu toe gelijk gehad?’

Swammerdam snoof kort. ‘Vooruit maar. Morgen zullen we zien of je geheugen zo goed is als je beweert.’

—-

In het prille ochtendlicht begon het groepje de klim naar de voet van de gletsjer. De Nigardsbreen lichtte blauwwit op in het ochtendlicht en de lucht had een schrale, droge kwaliteit. Regelmatig braken er kleinere en grotere stukken ijs met gering danwel donderend geraas van de ijsmassa af.

Ze hadden lichte bepakking bij zich en Skaldir voerde hen langs de voet tot aan een kleine vallei die bijna aan het oog werd onttrokken door steile rotswanden.

‘Daar,’ zei Skaldir en hij wees met zijn stok op een groot, donker gat in de rotswand. Hij ging voorop en was als eerste bij de grot. Terwijl de rest van de groep nog onderweg was, haalde hij een stormlamp tevoorschijn die hij ontstak met zijn tondeldoos.

Zonder ophouden ging hij de grot binnen. Swammerdam die nog buiten adem was, pakte zijn eigen stormlamp en ontstak die met verwoede pogingen op zijn eigen tondeldoos.

‘Skaldir, wacht op mij!’ riep Swammerdam de grot in. Ver voor zich zag hij het lichtje van de lamp van Skaldir dansen. De grot leek ondiep, maar strekte zich verraderlijk ver uit.

Uiteindelijk wisten Swammerdam en de drie matrozen Skaldir in te halen. De grote man zat op een lage rots en keek naar een rotswand die gevuld was met vele honderden kleinere en grotere gaten.

‘Alleen bij de zomerzonnewende,’ zei Skaldir. ‘Anders kun je maanden blijven zoeken. Jaren zelfs.’

‘Hoe weet je dat dit de plek is?’ vroeg Swammerdam.

‘Dit is de enige plek waar wat licht van buitenaf op valt. Maar pas het middagzonlicht verlicht het juiste gat.’ Skaldir gebaarde hen hun lampen uit te doen en hij sloot zijn eigen lamp zover af dat hij nauwelijks licht verspreidde.

In het bijna duister wachtten ze op het middaguur. Toen dat kwam was het onverwacht. Van de afwezigheid van licht naar een volle, heldere zonnestraal binnen enkele seconden was teveel voor hun ogen. Skaldir zag het gelukkig goed en hij stak direct zijn wandelstok in het gat dat precies op het middaguur aangewezen werd.

‘Toch mooi weer daar buiten’ zei Swammerdam.

‘Zei ik toch?’ Skaldir drukte zijn stok het gat in en het verdween tot ver over de helft naar binnen toe. Er klonk een diepe klik, gevolgd door een naargeestig schuren.

Swammerdam opende zijn stormlamp en scheen de bundel licht door de ruimte tot de lichtbundel op een opening in een van de zijwanden scheen. ‘Die was er eerder niet, toch?’

‘Niet bij mijn weten,’ zei Skaldir.

‘Dan moet dat de toegang zijn. Laten we gaan kijken,’ zei Swammerdam. Hij scheen zijn stormlamp het gat in en zag een lange afdaling die ver beneden in duisternis verdween. ‘Zo te zien gaat dit diep onder de gletsjer door.’

Skaldir kwam naast hem staan. De mannen keken elkaar aan en Swammerdam liet de andere man voorgaan. De matrozen volgden hem weer.

De afdaling leek een uur te duren. Regelmatig hoorde Swammerdam achter zich vloeken als een van de matrozen weer een teen of hoofd stootte tegen een onverwacht uitsteeksel. Hij zelf liep ook het een en ander aan schrammen en builen op.

Hij telde ongeveer een mijl aan stappen toen de gang verbreedde en het plafond terugweek. Zijn lamp verlichtte grote, vierkante steenblokken die nauwkeurig tegen elkaar geplaatst waren. Bijna liep hij tegen Skaldir op die stil was blijven staan.

‘Ssht,’ maande hun gids. Swammerdam keek langs hem heen en zag vier kleine, zittende figuren tegen een stel druipsteenpilaren zitten. Hij scheen zijn eigen lamp erop en zag dat ze eigenlijk onderdeel waren van de pilaren.

‘Die doen ons niets,’ zei Swammerdam. Hij liep langs Skaldir en ging naast een van de figuren staan. Een dun laagje steen bedekte de uitgeteerde overblijfselen van een klein mens gekleed in een vreemd uitziende wapenrusting. Swammerdam bekeek ze stuk voor stuk en zag dat ze geen van allen boven zijn middel uitkwamen. ‘Dood en ingekapseld. Ik heb gehoord dat dit soort pilaren duizenden jaren erover kan doen om zo groot te worden.’

‘Zo oud waren ze wel, ja,’ bevestigde Skaldir. ‘Henning, Melling, Ferrin en Perrin, de wachters van de Benedenpoort van Asgard.’

‘Meer mythologie?’ vroeg Swammerdam. ‘Dwergen?’

‘Zoiets ja,’ zei Skaldir. Hij reikte met zijn handen naar zijn hoofd en knoopte zijn sjaal los. Zijn haar kwam tevoorschijn, maar in het licht van de stormlampen zag dat haar er niet uit als normaal mensenhaar. Eerder leken de haren dunne, benige sprieten die uit het hoofd van Skaldir staken en die bij elke beweging zachtjes tegen elkaar aan ritselden met een zacht geruis of getik.

‘Meer verrassingen,’ zei Swammerdam droog. ‘Dit is het moment dat je zegt dat we nog terug kunnen?’

De zucht van Skaldir droeg het gewicht van eeuwen met zich. ‘Ik weet niet wat we in Asgard zullen aantreffen. Waarschijnlijk enkel ruïnes, misschien is alles bedolven onder het ijs. Het kan gevaarlijk zijn, maar de kennis die we hier kunnen verwerven, kan de mensheid een eeuw vooruithelpen, zoniet meer.’

‘De Graaf, van Leeuwenhoek en ik waren het er al over eens dat er meer achter je verhalen zat dan je vertelde. Tot nu toe heb je je woord gehouden. Ik ga ervan uit dat je dat zult blijven doen,’ zei Swammerdam. ‘En misschien vertrouw je ons nog eens zo, dat je ons je ware motieven vertelt. Hoewel het ons niet waarschijnlijk leek, want jouw pad is eenzaam.’ Swammerdam wenkte naar de duisternis voor hen. ‘Toon ons de weg.’

Er klonk instemmend gemompel van de matrozen die tijdens de reis een bijzonder soort respect voor Skaldir hadden ontwikkeld.

‘Vooruit dan maar,’ zei Skaldir en er leek een gewicht van zijn schouders te vallen. Met grote passen passeerde hij de vier wachters. ‘Volg mij, de poort is dichtbij!’

Swammerdam volgde hem en de matrozen kwamen direct achter hem aan. Een paar honderd voet verder hield Skaldir alweer halt. Dit keer voor een muur die bestond uit talloze kleine tegeltjes die samen een mozaïek vormden dat verschillende taferelen uit de Noordse mythologie afbeeldde rond een centrale weergave van een immense boom.

‘Yggdrassil,’ zei Swammerdam. ‘De Wereldboom.’

‘Dit is de plaats,’ bevestigde Skaldir. ‘Hierachter ligt Asgard.’

Het was ongeveer een minuut stil. Swammerdam sprak als eerste: ‘Waar wachten we dan nu op?’

‘Eigenlijk probeer ik me te herinneren hoe de poort geopend moet worden,’ bekende Skaldir. ‘Het is lang geleden dat ik hier… dat ik de verhalen gehoord heb.’

‘Is er iets dat ingedrukt moet worden?’ vroeg matroos Janszen. Hij wilde een van de tegeltjes al indrukken, maar Skaldir stond in een stap naast hem en nam zijn hand in een ijzeren grip.

‘De verkeerde kan jullie dood betekenen,’ siste hij.

‘In dat geval zul je je herinneringen moeten ophalen, Skaldir,’ zei Swammerdam. ‘Er zitten tienduizenden tegels op deze muur. Maar graag een beetje snel, voor we hier bevriezen.’ Zolang ze bewogen voelde Swammerdam de kou niet, maar stilstaan zorgde ervoor dat de vrieskou van de bovenliggende gletsjer begon door te dringen.

Hun gids liep met zijn stormlamp hoog geheven langs de muur op en neer en bescheen elk van de afbeeldingen. Zijn gelaatsuitdrukking veranderde bij elk tafereel, alsof hij nadacht over die gebeurtenissen van lang geleden en bij elk de bijpassende herinneringen probeerde te vinden.

‘De hand van Odin laat je binnen,’ zei hij ineens. Hij wees op de afbeelding van de eenogige heerser van de goden met de twee raven op zijn schouders. Zijn linkerhand was geheven. Skaldir legde zijn rechterhand erop en vrijwel geluidloos begon de afbeelding van Yggdrassil naar binnen te schuiven en liet net genoeg ruimte om de vijf mannen binnen te laten.

—-

De groep kwam terecht in een hal uitgevoerd in witte steen met aan weerszijden immense godenbeelden die op het vijftal neer leken te kijken.

‘De Hal van Gevallen Helden,’ zei Skaldir met eerbiedige stem. Hij liep snel naar voren en duwde twee immense, groen uitgeslagen bronzen deuren open. Wit, diffuus licht viel naar binnen en de mannen knipperden met hun ogen om aan deze nieuwe, heldere lichtbron te wennen. Een warme bries streek over hen heen.

Ze volgden Skaldir die al naar buiten gestapt was en keken vol verbazing naar de dichte begroeiing voor hen en de schitterende, slanke witte torens van de stad die in de verte oprezen naar een halftransparante mist die over de hele stad uitgestrekt leek. Door de mist heen was de witblauwe gloed van de Nigardsbreen gletsjer zichtbaar.

‘Wat is dat?’ vroeg Swammerdam en hij wees naar de hemel.

‘Het hemelweb,’ zei Skaldir. ‘Ik had niet verwacht dat het nog zo lang zou uithouden.’

Swammerdam keek hem aan en deze keer was het Skaldir die wegkeek. ‘Ik zou bijna denken dat u hier eerder geweest bent, heer Skaldir. Maar dat zou betekenen dat Asgard nog niet zo lang onder het ijs ligt. Of dat u veel ouder bent dan u zich voordoet.’

Skaldir zuchtte. ‘Laat dat maar in het midden. Mijn bedoelingen zijn goed, ik wil de mensheid kennis brengen. De kennis van Asgard.’

‘Dat vertrouwen heb ik,’ zei Swammerdam. ‘Ik heb alleen altijd geleerd dat alles een prijs heeft. En ik vraag me af wat uw prijs is.’

Skaldir boog zijn hoofd. ‘Ik probeer een groot leed van lang geleden goed te maken. Meer kan ik er niet over zeggen.’

‘Dan moet dat voldoende zijn,’ zei Swammerdam. Hij reikte omhoog en plukte een rijpe appel van een boom. De smaak was zoet en Swammerdam verorberde de vrucht met smaak.

Skaldir wachtte tot hij en de matrozen elk een paar appels gegeten hadden en kuchte toen om aan te geven dat het tijd werd om verder te gaan. ‘Een mijl door dit bos en we zijn bij de ingang van Valaskjalf, het paleis van Odin. Achter het paleis ligt de grote bibliotheek van Asgard en dat is onze eigenlijke bestemming.’

Vol goede moed liep het vijftal onder de bomen van Asgard in de richting van de gebouwen van de stad en inderdaad, na ongeveer een mijl kwamen ze bij een poort van ten minste tien mannen hoog.

Skaldir liep weer voorop en de mannen achter hem keken hun ogen uit. De gebouwen waren volledig intact en gemaakt van een witte steensoort. De entree was behangen met goud glinsterende schilden en in rijen houders stond een haag van glimmende speren opgesteld die toegang verleende tot de binnenste hal die gehuld was in schemering.

Zodra Skaldir een stap die hal inzetten verscheen aan de overkant een lichtbundel die van boven een verhoging verlichtte. Skaldir gromde. ‘Hiloskjalf, Odins troon.’

‘Werkelijk?’ vroeg Swammerdam. ‘Kunnen we gaan kijken.’ Hij maakte aanstalten voorbij Skaldir te lopen.

‘Ben je niet benieuwd waarom dat licht aanging toen ik de hal binnenstapte?’ vroeg Skaldir. ‘Of denk je dat het gewoon magie is of zo?’

Swammerdam hield stil. ‘Is het een val?’

‘Dat weet ik niet. Odin had natuurlijk wel altijd gevoel voor drama.’ Skaldir grijnsde. ‘Maar het zal wel veilig zijn. Laten we gaan kijken.’

Ze liepen over de stenen vloer van de hal. Een dikke laag stof bedekte alles en vaag zichtbaar waren de sporen van kleine knaagdieren en insecten.

Hiloskjalf was diepzwart en ingelegd met zilver. De troon bevatte een tiental hoge treden naar de feitelijke zetel en stak bijna acht voet boven de vloer van de hal uit. Een geraamte gehuld in de restanten van rijke kleding bezette de troon. Een lege oogkas staarde hen aan. De andere oogkas was afgedekt met een zwarte lap.

‘Ook de goden sterven,’ zei Skaldir somber.

‘Maar dit was moord,’ klonk een galmende stem door de hal.

Swammerdam kwam naast Skaldir staan. ‘Wie zei dat? En waarom was het in het Hollands?’

‘Odin mag hier gestorven zijn,’ zei Skaldir, ‘maar hij heeft zijn persona bewaard voor ons. Om met ons te praten of ons uit te schelden of te vervloeken.’

‘Dat begrijp ik niet,’ zei Swammerdam.

‘Kijk maar,’ zei Skaldir. Op de troon schitterde licht en er leek zich een soort mist om het skelet te vormen die zich langzaam vormde tot het leek alsof er een persoon op de troon zat, een indrukwekkende grote man, breedgebouwd, met een streng oog en een wilde bos haar die meer leek op een bos benige pennen die een eigen leven leken te hebben. De gelijkenis met Skaldir was treffend.

De gestalte op de troon begon in een vreemde taal te spreken tegen Skaldir, maar schakelde snel over op Hollands.

‘Odins persona heeft ons geobserveerd sinds we Asgard binnenkwamen en heeft Hollands geleerd,’ meldde Skaldir. ‘Jullie kunnen gewoon je eigen taal spreken. Maar wees voorzichtig. Deze vos heeft misschien geen lichaam meer, maar zijn streken zijn intact.’

‘Ik snap er niets van,’ zei Swammerdam. ‘Ik dacht dat Odin dood was?’

‘Dat is hij ook,’ legde Skaldir uit. Hij dacht even na. ‘Er is een spiegelbeeld van hem gemaakt en dat spiegelbeeld praat nu tegen ons. Er is een naturalistische verklaring voor.’

Swammerdam geloofde er niets van, maar zei: ‘Alles goed en wel, het werkt blijkbaar. Kan het ons kwaad doen?’

Skaldir schudde zijn hoofd. ‘Niet direct, denk ik. De vraag is, welke invloed zijn persona nog op Asgard kan uitoefenen.’

‘Hij noemde je moordenaar,’ zei Janszen. ‘Is dat waar? Is dat de schuld waarover je sprak?’

Skaldir haalde diep adem. ‘Indirect ben ik verantwoordelijk geweest voor vele doden, dat klopt.’

Het lege oog van het skelet gloeide op. ‘Einskaldir, moordenaar,’ sprak de persona van Odin weer. ‘En je waagt je nog in Asgard te vertonen? Van al mijn bastaards was jij altijd de meest betrouwbare. Je hier zien betekent dat jij achter het verraad zat.’

Skaldir knikte zachtjes. ‘Inderdaad, ouwe vos. Ik en ik alleen heb de wig gedreven. Jullie wilden niet luisteren.’

Odins beeld snoof. ‘Je vergist je weer in je hoogmoed, kind. Wij luisterden, maar kozen ervoor je bezwaren niet serieus te nemen. Wij zijn de Goden, zij,’ de schim gebaarde naar Swammerdam, Janszen, Pietersen en Von Shirach, ‘zijn slechts eenvoudige stervelingen.’

‘Je vergist je zelfs nog als je dood bent, Odin,’ zei Skaldir. ‘Mensen zijn het waard gered te worden van de willekeur van de Asen, de grillen van de bergtrollen, de hebzucht van moerasboggen en de grollen van de fae. En al jullie andere onnatuurlijke creaties die niets op deze wereld te zoeken hebben. Zodat ze in vrede kunnen bestaan.’

‘Je vergeet een ding, Einskaldir.’ Odin grijnsde. ‘Mensen zijn onze creatie. Vertel me eens hoezeer mensen in vrede leven?’

Skaldir zweeg. De persona richtte zich tot de andere mannen. ‘Vertel mij, leven jullie in vrede?’

Swammerdam keek naar Skaldir. ‘Einskaldir?’

‘Dat is mijn volle naam,’ zei Einskaldir.

‘Eens hoor ik graag je verhalen,’ zei Swammerdam. Hij keerde zich naar Odin. ‘Ja, wij leven in vrede. Valt er nog iets te zeggen of zijn we hier klaar?’

Het beeld van Odin leek kort te flikkeren. ‘Vrede of niet, Einskaldir brengt enkel dood en verderf. Zijn komst hier is jullie doem, wat het ook is dat hij zoekt. Niets dat hij doet gebeurt zonder reden. Vaarwel, Einskaldir. Veel geluk met je “mensen”, zolang je nog leeft.’ Langzaam doofde het beeld en met het verdwijnen van de lichtbundel stonden de vijf mannen in het stikdonker.

Biografie

 In 1991 publiceerde Mike zijn eerste fantasyverhaal in het toenmalige Ator Mondis. Sindsdien heeft hij twee Nederlandse romans en een bundel korte verhalen uitgegeven en een roman en een bundel in het Engels.

© Mike Jansen
Mike Jansen

Hij schrijft tegenwoordig voornamelijk in het Engels en vertaalt eigen werk naar het Nederlands en soms vice versa. Hij heeft al meer dan vijftig korte verhalen gepubliceerd, zowel in het Nederlands als in het Engels, waarvan het merendeel sinds 2012. Daarnaast heeft hij de King Kong Award (1992) en Fantastels (2012) gewonnen, evenals de Baarnse literatuurprijs en een flink aantal nominaties en shortlistnoteringen voor verhalenwedstrijden. Op uitgeefvlak verricht hij hand- en spandiensten voor Verschijnsel en voor JWKfiction in de USA.

Bibliografie

Met meer dan vijftig Engelse en meer dan vijftig Nederlandse publicaties in bladen en bundels is het ondoenlijk een complete bibliografie op te nemen. Wie geïnteresseerd is kan een kijkje nemen op www.meznir.info/

© 2020-2020 Mike Jansen & Fantasize